Wat moet je snoeien in mei
Planten die je in mei kunt snoeien voor gezonde groei en rijke bloei
Olea europaea – Olijfboom
Uitspraak = o-LEE-a eu-ro-PEE-a
De olijf is niet winterhard, maar wel wintergroen, en wordt daarom vaak beter in een pot gehouden. Hij kan 5 tot 10 meter hoog en 8 tot 12 meter breed worden, afhankelijk van standplaats en klimaat. De bloei is crème‑wit in mei en juni op een zonnige plek. Vruchten verschijnen na ongeveer vijf jaar en kunnen worden geoogst. Snoei na de oogst de vorst de takken een stukje terug, omdat olijven niet tweemaal aan dezelfde tak groeien. De grond moet bestaan uit zanderige, voedzame klei met kalk, vochtig maar niet te nat, want anders rotten de wortels. Mogelijke ziektes: verticillium‑verwelking, olijfkanker en olijfvlekkenziekte, die de boom kunnen aantasten en waarvoor geen eenvoudige oplossingen bestaan.

Malus floribunda – Sierappel
Bloeit in mei/juni met wit‑roze bloemen. Wordt ca. 6 m hoog, eerst opgaand en later rond van vorm. In de zomer verschijnen sierappels die van geel naar rood verkleuren. Standplaats: zon tot halfschaduw, in vochtige, voedzame maar niet te zure grond; geschikt voor klei, zand, veen en kalkhoudende bodem. Snoeien kan, maar met mate. Gevoelig voor ziekten zoals appelmeeldauw, appelroest, schurft en bacterievuur, die de sierwaarde en gezondheid kunnen aantasten.

Lupinus ‘Gallery Red’ – Lupine (vaste plant)
Bloeit rood in mei en juni en vormt daarna lange peulen. De plant is winterhard maar niet wintergroen, wordt 45 tot 60 cm hoog en is kortlevend. Bloeit meestal pas in het tweede jaar en staat graag op een plek in de zon of halfschaduw. De grond moet vruchtbaar, zuur en voldoende vochtig zijn, maar niet te nat, omdat de lupine slecht tegen natte winters kan. Per vierkante meter vier exemplaren aanplanten. Vermeerderen: door te zaaien. Het zaad is een lichtkiemer en mag niet met aarde worden bedekt. Zaaien kan ter plekke van september tot april. De plant kan worden aangetast door fusarium‑verwelking, meeldauw, bladluizen en de lupine‑bladkever.

Leucothoe ‘Zeblid’ – Druifheide (heester)
Uitspraak: LEU-KO-TOE
Geeft witte bloemetjes in mei en het jonge blad is paars, in de zomer groen en verkleurt in de winter tot rood. Wordt ongeveer 30 cm hoog en 50 tot 80 cm breed. De standplaats dient zon, lichte schaduw of halfschaduw te zijn op een beschutte plek, in humusrijke, zure en vruchtbare grond. Hoe meer zon, hoe intenser de bladverkleuring in de herfst, mits de grond vochthoudend blijft. De plant is winterhard en wintergroen. Uitgebloeide takken worden na de bloei teruggeknipt tot een krachtige zijscheut, terwijl oudere takken tot aan de grond kunnen worden verwijderd. Vermeerderen door een zomerstek. Mogelijke ziektes: wortelrot, bladvlekkenziekte en meeldauw.

Iberis ‘Masterpiece’ – Scheefbloem (vaste plant)
Bloeit wit tot licht roze in mei en oktober, op een plek in de zon of halfschaduw in humusrijke grond. Wordt ca. 25 cm hoog en 30–40 cm breed. Het is een vaste plant, wintergroen en winterhard. Vermeerderen kan door scheuren, afleggen of stekken. De plant kan worden aangetast door meeldauw, wortelrot, bladvlekkenziekte en bladluizen.

Geranium sanguineum ‘Max Frei’ – Ooievaarsbek (vaste plant)
Uitspraak: SAN-GWIE-NE-UM
Bloeit karmijnroze van mei tot juli en wordt 15 à 20 cm hoog en 30 tot 40 cm breed. De plant staat graag op een plek in de zon of lichte schaduw, in matig rijke grond. Hij is winterhard, maar niet wintergroen. Per vierkante meter worden 9 tot 16 stuks aangeplant. Vermeerderen kan door ter plekke te zaaien in augustus; het zaad heeft een koude behandeling nodig. De ooievaarsbek kan worden aangetast door meeldauw, roest en bladvlekkenziekte.

Euonymus fortunei ‘Emerald ’n Gold’ – Bontbladige kardinaalshoed (heester)
Uitspraak: EU‑O‑NI‑MUS
Wordt ongeveer 60 cm hoog en 90 cm breed en staat graag op een plek in de volle zon tot lichte schaduw. Standplaats ieder grondsoort behalve drassig en is wintergroen. De voorjaarsbloemen vallen nauwelijks op, maar het bontgekleurde blad zorgt het hele jaar voor sierwaarde. Snoeien gebeurt bij voorkeur in maart. Per vierkante meter worden 3 tot 5 stuks aangeplant. Vermeerderen kan eenvoudig via afleggen. De kardinaalshoed kan worden aangetast door echte meeldauw, bladvlekkenziekte en wortelrot, en daarnaast ook door insectenplagen zoals schildluizen en bladluizen.

Garvinea – Tuingerbera (1‑jarig)
Bloeit van mei tot oktober in diverse kleuren en wordt 30–40 cm hoog en 30–35 cm breed. De plant is niet winterhard en niet groenblijvend, en staat het liefst op een zonnige plek. Wordt toegepast als eenjarige en behoudt zijn sierwaarde door steeds de oude bloemen weg te knippen om nieuwe bloei te stimuleren. De tuingerbera kan worden aangetast door meeldauw, wortelrot en bladvlekkenziekte. Daarnaast zijn bladluizen en trips veelvoorkomende plagen die de bloemen en bladeren kunnen beschadigen.

Iris pseudacorus – Gele lis (oeverplant)
Uitspraak: IE‑RIS PSEU‑DA‑KO‑RUS
De gele lis bloeit helder geel in mei en juni. De plant wordt 80 cm tot 1 meter hoog en 40 tot 60 cm breed. Ze staat graag in natte tot drassige grond en kan zelfs in het water groeien tot een diepte van meer dan 30 cm. De standplaats dient zonnig te zijn, zodat de bloei optimaal tot zijn recht komt. Vermeerderen kan door te scheuren of te zaaien, waarbij de wortelstokken zich gemakkelijk uitbreiden en zo grotere pollen vormen. Hoewel de gele lis een sterke oeverplant is, kan ze worden aangetast door bladvlekkenziekte, roest, wortelrot en irisboorrups. Deze aantastingen verminderen de sierwaarde en kunnen de vitaliteit van de plant beïnvloeden.

Syringa patula ‘Miss Kim’ – Sering (heester)
Uitspraak: SIE‑RIN‑GA PA‑TU‑LA
Bloeit geurend lila in mei en juni en wordt 1,50 tot 2 meter hoog en 1,20 tot 1,50 meter breed. De plant staat graag in de volle zon tot halfschaduw, bij voorkeur in goed gedraineerde grond. Deze sering hoeft niet gesnoeid te worden, behoudt zijn compacte vorm vanzelf en is niet groenblijvend, maar wel winterhard. Hoewel de cultivar ‘Miss Kim’ bekendstaat als een sterke en gezonde sering, kan hij soms worden aangetast door meeldauw, bacterievuur en bladluizen, die de sierwaarde verminderen.

Oplossingen bij ziekte en plagen
Meeldauw – witte poederige aanslag op bladeren en stengels. Oplossing: aangetaste delen verwijderen, luchtige standplaats kiezen, stikstof beperken en behandelen met biologische middelen zoals melk- of soda-oplossing.
Wortelrot – wortels worden bruin en papperig, bladeren verwelken. Oplossing: zorgen voor goed doorlatende grond, watergift verminderen en aangetaste wortels wegsnijden.
Bladvlekkenziekte – donkere of gele vlekken op bladeren. Oplossing: aangetaste bladeren verwijderen, luchtcirculatie verbeteren, niet op blad sproeien en eventueel behandelen met biologische fungiciden.
Bladluizen – kleine insecten die plantensap zuigen, honingdauw en vervormde scheuten. Oplossing: bestrijden met groene zeep of spiritus-oplossing en natuurlijke vijanden zoals lieveheersbeestjes inzetten.
Roest – oranje of bruine sporen onder het blad, gele vlekken bovenop. Oplossing: aangetaste bladeren verwijderen, luchtige standplaats, stikstof beperken en behandelen met soda of biologische oliën.
Bacterievuur – bloemen en bladeren lijken zwart geblakerd, takken verdrogen. Oplossing: besmette takken direct wegsnoeien en verbranden, gereedschap ontsmetten en snoeien in droge periodes.
Schildluizen – kleine bolletjes op blad en stengel die plantensap zuigen. Oplossing: handmatig verwijderen, behandelen met zachte zeep of alcoholoplossing en natuurlijke vijanden inzetten.
Trips – zilverachtige vlekken en vervormde bladeren. Oplossing: roofmijten of aaltjes inzetten, aangetaste bladeren verwijderen en regelmatig besproeien met water.
Irisboorrups – tast wortelstokken van iris aan, bladeren vergelen. Oplossing: rupsen handmatig verwijderen, aangetaste wortelstokken wegsnijden en preventief controleren.
