Panicum virgatum ‘Rehbraun’ – Vingergras (siergras)
Bloeit wit in augustus–oktober. Wordt ca. 120 cm hoog. Winterhard, niet groenblijvend. Standplaats zon, in droge tot vochthoudende grond. Vermeerderen door de kluit te delen in maart–april.
Papaver nudicaule “Gartenzwerg” – IJslandse papaver – Vaste plant
De IJslandse papaver “Gartenzwerg” bloeit van juni tot september met bloemen in wit, oranje, geel of oranjerood en bereikt een hoogte van 20–40 cm en 20–30 cm breed. Deze redelijk winterharde plant verliest in de winter zijn blad en gedijt het beste in de zon op goed doorlatende, lichte grond die niet te nat is. Aanbevolen wordt 7–9 planten per vierkante meter. De papaver is aantrekkelijk voor insecten en kan worden vermeerderd door wortelstekken of door zaden te zaaien. Soms gevoelig voor meeldauw, wortelrot of bladluizen.
Papaver rhoeas – Klaproos (eenjarig)
Bloeit rood van mei–augustus en wordt ca. 70 cm hoog. Het melksap is giftig voor mens en dier. Groeit vaak langs bermen en bouwterreinen. Vermeerderen door te zaaien in herfst of vroege voorjaar, in voedselarme grond. Lichtkiemer: niet bedekken. Zaden hebben koude nodig om te kiemen. Standplaats zon–halfschaduw.
Pelargonium peltatum – Hanggeranium (eenjarig)
Wordt ca. 40 cm hoog en bloeit van mei–oktober in diverse kleuren. Standplaats zon. Regelmatig gele bladeren en dode bloemen verwijderen. Wekelijks mest geven. Niet winterhard; overwinteren in een lichte, vorstvrije ruimte (max. 10 °C). In winter matig water geven en licht terugsnoeien. Na de vorst afharden en weer buiten zetten. Vermeerderen door stek. Plantdichtheid: 8–11 stuks per m².
Pennisetum alopecuroides ‘Hameln’ – Lampenpoetsersgras (Siergras)
Wordt 50 cm hoog en 40–60 cm breed. Het bloeit van juli tot en met september met lichtbruine tot lichtroze bloemaren, die later verkleuren naar zilverwit en tot diep in de winter aan de plant blijven. Het gras is winterhard tot -7 graden Celsius en is niet wintergroen. De ideale standplaats is in vochthoudende, goed doorlatende grond, zowel in de zon als in lichte halfschaduw. Snoeien doe je in maart, waarbij je de uitgebloeide aren en bladeren terugknipt tot 10 cm boven de grond. Vermeerderen kan door te scheuren aan het einde van april of door te zaaien in april of mei. Mogelijke ziekten:
roest of bladvlekkenziekte.
Pennisetum setaceum ‘Rubrum’ – Lampenpoetsersgras (siergras)
Bloeit grijs/rood in juli–oktober. Wordt ca. 1 meter hoog en 1,5 meter breed. Standplaats zon–halfschaduw, beschut. Grond licht humeus, goed doorlatend en licht vochtig. Donkerbladig, matig winterhard, niet groenblijvend. In najaar mulchlaag aanbrengen; na de winter kort snoeien. Plantdichtheid: 5 stuks per m². Vermeerderen door delen in voorjaar.
Petasites hybridus – Groot hoefblad (Vaste plant)
Groot hoefblad is een sterke vaste tuinplant die bruinroze bloemen geeft in maart–mei, nog voordat het blad verschijnt. De plant wordt aanvankelijk ongeveer 30 cm hoog, maar zodra de grote bladeren zich ontwikkelen, kan het 1–1,5 m hoog worden. Standplaats: zon tot lichte schaduw in vochthoudend grond die rijk is aan humus. Niet groenblijvend, goed winterhard, kan flink woekeren. Vermeerdering door wortelstek, plant 1–3 stuks per m². De plant is licht giftig en geschikt voor borders, tuinen en natuurlijke beplanting. Kan last hebben van wortel- en wortelstokrot. Bladvlekken of schimmel. Slakken of muizen die de jonge scheuten of de wortelstokken eten.
Petunia Capella™ Hello Yellow – Petunia (Eenjarige)
Bloeit van mei tot oktober met heldergele bloemen. Wordt 20 tot 30 cm hoog en 35 cm breed. Geen bessen. Niet winterhard. Bladverliezend. Standplaats: volle zon of halfschaduw. Grond: vruchtbaar, luchtig, goed doorlatend. Verdraagt matige wind, beschutting gewenst. Snoei: regelmatig uitgebloeide bloemen wegplukken voor doorbloei. Vermeerderen: via stekken. Zeer bijvriendelijk. Ziekten: bladluis, trips, botrytis.
Petunia Ramblin – Petunia (1‑jarig)
Petunia Ramblin is een eenjarige petunia met een sterk hangende groeiwijze en een zeer vroege bloei in het begin van de zomer tot eind september. Houdt van een zonnige standplaats en vraagt om de week een gift mest om rijk te blijven bloeien. De grond mag niet uitdrogen, want dat remt de bloei. Uitgebloeide bloemen regelmatig weg knippen, net als lange, dwalende stengels om de plant compact te houden. Wordt 20 tot 30 centimeter hoog en 60 tot 90 centimeter breed. Mogelijke ziekten zijn meeldauw, wortelrot, bladluis en trips. Vermeerderen gebeurt via zaaien in het voorjaar.
Perilla frutescens – Perilla, Japanse basilicum, Shiso (Eenjarig)
Wordt 30–100 cm hoog en 30–60 cm breed. Heeft ovaal tot hartvormig blad in groen of rood/paars, soms gekruld. De smaak is kruidig, een mix van munt, basilicum en anijs. In de nazomer verschijnen kleine wit‑lila bloemetjes. Houdt van een zonnige, warme standplaatsen een goed doorlatende, humusrijke bodem. Zaai binnenshuis in april–mei en plant uit na de IJsheiligen. Mogelijke ziekten: botrytis, meeldauw, bladvlekkenziekte, wortelrot. Vermeerderen: zaaien in het voorjaar; soms zelfzaaiend. Plantdichtheid:9–12 per m². Shiso wordt in Japan al eeuwen gebruikt bij sushi en umeboshi vanwege zijn unieke kruidige smaak.
Perovskia atriplicifolia – Reuzenlavendel (heester)
Bloeit lavendelblauw in juli–augustus en wordt ca. 100 cm hoog en 80–100 cm breed. Standplaats: volle zon, op iets arme, droge tot vochthoudende, goed doorlatende grond. Wordt sterk bezocht door bijen en vlinders. Is bladverliezend, matig winterhard en kan vorstschade oplopen. Snoei in het voorjaar terug voor jaarlijkse verjonging. Plantdichtheid:3–5 stuks per m². Vermeerderen: najaar zaaien in de vollegrond; ook mogelijk via halfverhoute stek in zomer. Mogelijke ziekten: wortelrot, meeldauw, bladvlekkenziekte.
Persicaria amplexicaulis – Duizendknoop (vaste plant)
Persicaria amplexicaulis bloeit roze van juli tot oktober, wordt 100–150 cm hoog en ongeveer 60–80 cm breed en staat graag zonnig tot in lichte schaduw in iedere goede, humusrijke en vochthoudende tuingrond. Deze vaste plant is goed winterhard, niet groenblijvend en wordt per vierkante meter met 5 tot 8 stuks aangeplant. Vermeerderen gebeurt door te scheuren in maart of in september tot oktober, waarbij delen met voldoende wortelgroei het snelst aanslaan. Mogelijke ziekten: meeldauw, bladvlekkenziekte. Bloeit uitzonderlijk lang door, is zeer aantrekkelijk voor bijen en zweefvliegen, en vormt snel een dicht, onkruid onderdrukkend bladerdek waardoor hij ideaal is voor grote borders.
Persicaria amplexicaulis ‘Alba’ – Duizendknoop (vaste plant)
Bloeit wit van juli tot september/oktober en wordt 100–120 cm hoog en 60–80 cm breed. Standplaats: zon tot halfschaduw, op voedselrijke, goed doorlatende, vochthoudende grond. Is bladverliezend en zeer winterhard. Plantdichtheid:7–9 stuks per m². Vermeerderen: delen in het voorjaar. Let op: Persicaria houdt van vocht, maar geen stilstaand water. Deze soort bloeit extreem lang door, vaak tot ver in oktober, en trekt veel bijen aan.
Persicaria bistorta ‘Superba’ – Adderwortel (vaste plant)
Bloeit lichtroze in mei–juli en wordt 40–80 cm hoog. Licht woekerend maar goed te beheersen. Standplaats zon–halfschaduw, in goed doorlatende grond. In zon mag de grond niet uitdrogen. Half wintergroen en winterhard. Vermeerderen door delen in voorjaar. Plantdichtheid: 7–9 stuks per m².
Pentaglottis sempervirens – Overblijvende ossentong (vaste plant)
Bloeit blauw in mei–augustus en wordt ca. 70 cm hoog. Standplaats schaduw, in humusrijke grond. Vermeerderen door zaaien. Plantdichtheid: 5–7 stuks per m².
Phacelia tanacetifolia – Bijenvoer (eenjarig)
Bloeit paars in juni–oktober en wordt ca. 70 cm hoog. Standplaats zon–halfschaduw, in lichte, voedselrijke, goed doorlatende grond. Niet winterhard. Ideale groenbemester: na bloei onderspitten. Voor langere bloei zaaien van maart–augustus. Sterk insectenlokkend.
Philadelphus ‘Minnesota Snowflake’ – Boerenjasmijn (Heester)
Bloeit met sterk geurende witte bloemen in juni – juli. Wordt ca. 1,5 m hoog en 2 m breed. Bladverliezend, maar winterhard en niet giftig. Gedijt goed in lichte schaduw of zon, in voedselrijke, vochthoudende tot vochtige grond. Na de bloei is het raadzaam de oudste takken te snoeien om de plant vitaal te houden. Vermeerdering door winterstekken (houtachtig) of zomerstekken (kruidachtig). Mogelijke ziekten: bladvlekkenziekte, meeldauw, wortelrot.
Phlomis russeliana – Brandkruid (Vaste plant)
Phlomis russeliana bloeit in juni en juli met prachtige gele bloemen en kan een hoogte van circa 1 meter en een breedte van 75 cm bereiken. Deze vaste plant gedijt het beste op een standplaats met zonlicht tot lichte schaduw, in goed doorlatende en matig vruchtbare grond. Ze is winterhard en niet wintergroen. Vermeerdering kan plaatsvinden door in september ter plaatse te zaaien, waarbij 7–9 planten per vierkante meter worden aanbevolen. Soms gevoelig voor bladschimmel of meeldauw.
Phlox paniculata – Vlambloem (vaste plant)
Bloeit roze, wit of paars in juli–september en wordt ca. 1 meter hoog. Vlinderlokkend en meeldauwgevoelig. Standplaats zon, in goed doorlatende, voedselrijke grond. Bladverliezend en winterhard. Terugknippen na bloei stimuleert herbloei. Plantdichtheid: 5 stuks per m². Vermeerderen door kopstek in voorjaar of zaaien in september–oktober.
Phlomis russeliana – Brandkruid (vaste plant)
Bloeit geel in juni–juli en wordt ca. 1 meter hoog en 75 cm breed. Standplaats zon–lichte schaduw, in goed doorlatende, matig vruchtbare grond. Hekel aan natte wintergrond. Winterhard en groenblijvend. Vermeerderen door zaaien in september. Plantdichtheid: 7–9 stuks per m².
Phlox paniculata – Vlambloem (Vaste plant)
Bloeit in roze, wit en paars in juli/september en wordt ongeveer 1 meter hoog en 40 à 60 cm breed. Staat graag in de volle zon in goed doorlaatbare, voedselrijke grond en is vlinderlokkend. Is bladverliezend en winterhard. Mogelijke ziektes zijn meeldauw en bladvlekkenziekte. Na de bloei terugknippen stimuleert een tweede bloei. Per vierkante meter 5 stuks. Vermeerderen kan door kopstekken in het voorjaar, door ter plekke te zaaien in september/oktober of door de kluit te delen.
Phlox Paniculata‑groep – Vlambloem (vaste plant)
Bloeit in vele kleuren in augustus–oktober. Zeer winterhard. Standplaats zon–lichte schaduw, in humusrijke, vochtige grond. In schaduw meer kans op meeldauw. Wordt 75–175 cm hoog. Bladverliezend. In voorjaar koemest geven. Vermeerderen door scheuren.
Photinia × fraseri ‘Red Robin’ – Glansmispel (heester)
Bloeit wit in mei–juni en vormt later rode bessen (giftig, later zwart). Wintergroen, matig winterhard (tot –5 °C). Standplaats zon–halfschaduw, in voedselrijke, vochthoudende grond. Matig windbestendig; beschermen tegen vorstschade. Jonge bladeren zijn bruinrood, later groen, in herfst bordeauxrood. Snoeien vanaf maart (geen bloei dan). Vermeerderen door halfverhoute stek in juli–augustus.
Phytolacca americana – Westerse karmozijnbes (vaste plant)
Phytolacca americana heeft dikke roodpaarse stengels, grote bladeren en lange trossen met witroze bloemen die later veranderen in zwartpaarse bessen. De plant wordt 150–200 cm hoog en 80–120 cm breed en bloeit van juni tot september. Staat graag zonnig tot halfschaduwrijk in voedzame, licht vochtige grond en kan zich sterk uitbreiden door wortelstokken en zaad. De plant wordt in Nederland actief bestreden omdat hij zich invasief gedraagt en inheemse soorten kan verdringen. De bessen zijn giftig voor mensen en huisdieren.
Picea pungens ‘Glauca Globosa’ – Blauwspar (Dwergconifeer)
De Picea pungens ‘Glauca Globosa’ vormt in de vroege zomer onopvallende bloemen. Deze compacte dwergconifeer heeft een zeer trage groeisnelheid en ontwikkelt een karakteristieke, dicht vertakte bolvorm. Op volwassen leeftijd bereikt deze plant een hoogte van 100 cm en een breedte tot 150 cm. Hij is uiterst winterhard, behoudt jaarrond zijn naalden en valt op door zijn intens zilverblauwe kleur. Een standplaats in de volle zon met een goed drainerende, matig droge bodem is ideaal. Dit type leent zich uitstekend als blikvanger of solitair in een border. Mogelijke plaag: Sparrenwolluis.
Pieris japonica ‘Katsura’ – Rotsheide (Heester)
Prachtige bloemen in roze met rood bloeien van maart tot april, en deze struik groeit tot 1 meter hoog en 0,8–1,2 meter breed. Ideale standplaats is in halfschaduw, beschermd tegen de elementen, in rijke organische grond die licht zuur tot matig vochtig en goed gedraineerd is. Deze plant is winterhard en behoudt zijn blad in de winter. Verwijder uitgebloeide bloemen direct na de bloei. Soms kunnen problemen optreden zoals afsterving (phytophthora) en bladvlekkenziekte. Pieris japonica ‘Katsura’ kan vermeerderd worden door afleggen. Over het algemeen is één plant per vierkante meter voldoende. Af en toe kunnen plagen zoals bladvlekkenziekte, wortelrot, rupsen en bladluizen voorkomen, evenals bladverbranding.
Pieris japonica ‘Katsura’ – Rotsheide (heester)
Bloeit roze‑rood in maart–april en wordt ca. 1 meter hoog. Standplaats halfschaduw, beschut, in organische, licht zure, matig vochtige, goed gedraineerde grond. Winterhard en wintergroen. Uitgebloeide bloemen verwijderen. Gevoelig voor phytophthora en bladvlekkenziekte. Vermeerderen door afleggen.
Pieris japonica ‘Polar Passion’ – Rotsheide (heester)
Compacte, groenblijvende heester van ongeveer 1 meter hoog en 50–100 cm breed, met rood uitlopende jonge scheuten en roze bloei in april–mei. Groeit het best in halfschaduw op koele, humusrijke, goed doorlatende grond. Kan gevoelig zijn voor schimmelvlekken, wortelrot of bladvergeling. Vermeerderen kan door in het najaar kopstekken te nemen en deze binnen te laten overwinteren. Bij veel Pieris‑soorten kleuren de jonge scheuten opvallend rood of roze voordat ze naar groen verkleuren, een natuurlijke bescherming tegen fel licht en een extra sierwaarde in het voorjaar.
Pieris japonica ‘Valley Valentine’ – Rotsheide (heester)
Bloeit wijnrood in maart–april en wordt ca. 1,5 meter hoog. Standplaats halfschaduw, beschut, in organische, licht zure, matig vochtige grond. Winterhard en wintergroen. Uitgebloeide bloemen verwijderen. Gevoelig voor phytophthora en bladvlekkenziekte.
Pinus mugo – Pijnboom
Wordt 3–5 meter hoog. Standplaats zon–halfschaduw, in goed doorlatende grond. Zeer winterhard en windbestendig. Vormt ovale kegels.
Pinus sylvestris ‘Chantry Blue’ – Grove den (Dwergconifeer)
De Pinus sylvestris ‘Chantry Blue’ bloeit in mei en juni met onopvallende bloemen die overgaan in kleine kegels. Deze dwerg den blijft zeer compact, groeit traag en bereikt een hoogte van 50 tot 60 cm en een breedte van 40 tot 50 cm. De plant is extreem winterhard, langlevend en groenblijvend, waardoor hij zijn opvallende, intens blauwgrijze naalden het hele jaar behoudt. Hij staat het liefst op een zonnige tot licht schaduwrijke plek in droge tot normale, goed doorlatende, kalkarme grond. Voor een mooi resultaat in een groep plant je 3 tot 5 stuks per vierkante meter, al wordt hij vaker als solitair toegepast. Deze onderhoudsvriendelijke conifeer trekt weinig ongedierte aan en verdraagt zeewind. Mogelijke plaag: Dennenlotrups.
Potentilla fruticosa ‘Abbotswood’ – Struikganzerik (Vaste plant)
Potentilla fruticosa ‘Abbotswood’, ook bekend als struikganzerik, is een bladverliezende, winterharde vaste plant met witte bloemen van mei tot augustus. Ze wordt ongeveer 75 cm hoog en 1,2 meter breed. De plant groeit het best op een zonnige tot halfschaduwrijke plek in goed doorlatende, arme tot matig vruchtbare grond. Ze is droogtebestendig, verdraagt zeewind en is geschikt voor borders, lage hagen en vakbeplanting. Na de bloei licht terugsnoeien en oud hout verwijderen; oudere struiken kunnen beter vervangen worden. Plant 4 à 5 stuks per m². Mogelijke ziektes: bladvlekkenziekte, echte meeldauw, wortelrot of bladluizen.
Primula dubbelbloemig – Sleutelbloem (Vaste plant)
De dubbelbloemige Primula is een compacte voorjaarsbloeier die al in februari kleur geeft in de tuin. De plant wordt ongeveer 10–20 cm hoog en groeit uit tot een breedte van 15–25 cm. Hij houdt van halfschaduw en een vochtige, humusrijke bodem. Primula’s kunnen last krijgen van valse meeldauw, wortelrot, slakken en bladluizen, vooral in zachte winters of bij te natte grond. De plant is eenvoudig te vermeerderen door deling direct na de bloei, meestal in april of mei.
Primula elatior ‘Mister Gold Laced’ – Sleutelbloem (Vaste plant)
Bloeitijd: april tot mei. Bloemkleur: zwart met een fijne gele rand. Hoogte 20 cm en breedte circa 20–25 cm. Standplaats zon tot halfschaduw. Grondsoort: neutrale, vochtige en goed doorlatende bodem Winterhardheid: volledig winterhard, niet groenblijvend. Vaste plant, maar vaak toegepast als eenjarige voorjaarsbloeier. Voor een langere bloei regelmatig uitgebloeide bloemen verwijderen. Plant 7 stuks per m² . Vermeerdering: delen in het voorjaar. Ziekten en plagen: gevoelig voor meeldauw, blad- en wortelrot bij te natte standplaats, en soms voor slakkenvraat
Primula ‘Gold Nugget’ – Sleutelbloem (Tweejarige plant)
De Sleutelbloem ‘Gold Nugget’ is een tweejarige, niet-wintergroene plant die geel bloeit in het vroege voorjaar. De plant wordt circa 25 cm hoog en ongeveer 20 cm breed. Hij staat graag in zon, halfschaduw of schaduw, bij voorkeur in kalkrijke en vochtige grond. Door zijn vroege bloei is hij een waardevolle kleurbrenger in de lente. Ziektes: gevoelig voor meeldauw en wortelrot bij te natte of slecht doorlatende grond.
Primula denticulata ‘Alba’ – Kogelprimula / Bolprimula (vaste plant)
Bloeit wit in maart–mei. Wordt 10–20 cm hoog. Winterhard, niet groenblijvend. Plantdichtheid: 11–15 stuks per m². Standplaats zon–halfschaduw, in normale grond.
Primula denticulata ‘Cashmeriana’ – Bolprimula (vaste plant)
Bloeit lila met kogelvormige bloemen vanaf eind maart–april. Wordt 20–25 cm hoog. Standplaats zon, in vochthoudende grond. Winterhard, niet wintergroen. Plantdichtheid: 7–9 stuks per m².
Primula × pubescens – Sleutelbloem (vaste plant / vaak éénjarig gebruikt)
Bloeit o.a. roze van februari–oktober. Standplaats zon, in leemachtige, vochtige grond. Verdraagt –2 °C. Kan huidirritatie veroorzaken. Windbestendig.
Primula elatior ‘Mister Gold Laced’ – Sleutelbloem (vaste plant-eenjarig)
Bloeitijd: april tot mei. Bloemkleur: zwart met een fijne gele rand. Hoogte 20 cm en breedte circa 20–25 cm. Standplaats zon tot halfschaduw. Grondsoort: neutrale, vochtige en goed doorlatende bodem Winterhardheid: volledig winterhard, niet groenblijvend. Vaste plant, maar vaak toegepast als eenjarige voorjaarsbloeier. Voor een langere bloei regelmatig uitgebloeide bloemen verwijderen. Plant 7 stuks per m² . Vermeerdering: delen in het voorjaar. Ziekten en plagen: gevoelig voor meeldauw, blad- en wortelrot bij te natte standplaats, en soms voor slakkenvraat.
Primula ‘Gold Nugget’ – Sleutelbloem (vaste plant)
Bloeit geel in het vroege voorjaar en wordt ca. 25 cm hoog. Standplaats zon–halfschaduw–schaduw, in kalkrijke, vochtige grond. Niet wintergroen. Tweejarig.
Primula veris – Gulden sleutelbloem (vaste plant)
Bloeit in april–mei en soms opnieuw in september–oktober. Standplaats zon–lichte schaduw, in vochtige, vrij voedselarme tot matig voedselrijke, kalkrijke, humusrijke grond.
Prunus dulcis – Amandelboom (boom)
Prunus dulcis vormt steenvruchten met een harde kern en groeit het best in normale, goed verbeterde tuingrond. De standplaats is zonnig tot halfschaduw. Snoei is niet noodzakelijk, maar als er gesnoeid wordt, doe dit dan in maart–april. De boom is bladverliezend, winterhard tot circa –15 °C en komt in de volle grond beter tot zijn recht; in pot is de kans op bevriezing groter. De grond moet goed doorlaatbaar zijn om wortelrot te voorkomen. Bemesten in het voorjaar met een lichte gift. In de volle grond wordt de boom ongeveer 2,5 tot 5 meter hoog en circa 2 tot 3 meter breed. Mogelijke ziekten: monilia, bladluizen, wortelrot.
Prunus domestica ssp. syriaca – Pruimenboom (Kleine boom)
Bloesem wit tussen maart en mei en bereikt een hoogte van 4 meter. Deze boom is niet groenblijvend, is winterhard en gedijt het beste op een zonnige plek in goed doorlatende, licht voedzame grond. Na de bloei ontwikkelen zich heerlijke gele vruchten met een zoete smaak. De bloemen zijn bestand tegen temperaturen tot -4 graden. Hoewel snoeien niet essentieel is, is het aan te raden om de boom na de bloei te snoeien als hij te groot wordt. Zorg ervoor dat de grond goed gedraineerd is om wortelrot te voorkomen en geef de boom regelmatig water, vooral tijdens droge periodes. Vogels zijn dol op de vruchten van de pruimenboom.
Prunus incisa ‘Kojou No Mai’ – Sierkers (Heester)
Bloeit wit-roze in maart-april en wordt 1,5–2 m hoog. Niet groenblijvend, winterhard en geschikt voor zon tot halfschaduw in goed doorlatende, voedzame grond. Snoeien is meestal niet nodig. Mogelijke ziektes: Taksterfte (monilia): takken of bloemen worden bruin en droog; verwijder aangetaste takken en zorg voor luchtcirculatie. Bladvlekken: donkere vlekken op bladeren; verwijder aangetast blad. Bladluizen: opgerolde bladeren en honingdauw; wegspoelen met water of biologische middelen.
Prunus kurilensis ‘Ruby’ – Sierkers (boom)
Bloeit roze in maart–april en wordt ca. 4 meter hoog. Winterhard, niet wintergroen. Standplaats zon–halfschaduw, in doorlatende tuingrond. Snoei niet nodig.
Prunus persica var. nucipersica – Nectarineboom
Een zelfbestuivende fruitboom die behoort tot de groep steenvruchten. Deze boom produceert een overvloed aan sappige nectarines met een heerlijk aroma en kan een hoogte bereiken van 4 tot 6 meter. Om grotere vruchten te stimuleren, is het aan te raden om een deel van de jonge vruchten te verwijderen. Zo krijgen de overgebleven nectarines meer ruimte om zich optimaal te ontwikkelen. Deze boom is winterhard, maar verliest zijn bladeren in de winter. Let op: late vorst kan de bloesemknoppen beschadigen. De nectarineboom bloeit in april met prachtige roze bloesems en groeit het beste op een zonnige, kalkrijke en goed doorlatende bodem. Kan worden aangetast door: Krulziekte, bacterievlek, bruine vruchtrot, echte meeldauw of Schurft.
Prunus persica var. nucipersica – Nectarineboom
Een zelfbestuivende fruitboom die behoort tot de groep steenvruchten. Deze boom produceert een overvloed aan sappige nectarines met een heerlijk aroma en kan een hoogte bereiken van 4 tot 6 meter. Om grotere vruchten te stimuleren, is het aan te raden om een deel van de jonge vruchten te verwijderen. Zo krijgen de overgebleven nectarines meer ruimte om zich optimaal te ontwikkelen. Deze boom is winterhard, maar verliest zijn bladeren in de winter. Let op: late vorst kan de bloesemknoppen beschadigen. De nectarineboom bloeit in april met prachtige roze bloesems en groeit het beste op een zonnige, kalkrijke en goed doorlatende bodem. Kan worden aangetast door: Krulziekte, bacterievlek, bruine vruchtrot, echte meeldauw of Schurft.
Prunus spinosa – Sleedoorn (heester)
Bloeit wit in maart–april en wordt 2–6 meter hoog. Bezit doorns. Winterhard, niet groenblijvend. Groeit op vrijwel elke tuingrond. Snoei niet nodig; zo ja, lange scheuten in voorjaar–zomer verwijderen. Vormt wortelopslag. Trekt veel insecten aan. Krijgt blauwe bessen die pas lekker zijn na vorst. Vermeerderen door zaaien, wortelstek, zomerstek of enten.
Polygala chamaebuxus ‘Grandiflora’ – Vleugeltjesbloem (vaste plant)
Polygala chamaebuxus ‘Grandiflora’, is een laagblijvende, wintergroene vaste plant die bloeit met opvallende geel-paarse bloemen van april tot augustus. De plant wordt 10 tot 20 cm hoog en circa 30 cm breed. Hij is winterhard tot -20 °C en staat het liefst in halfschaduw op droge tot matig vochtige, goed doorlatende bodem. Na de bloei kunnen de stengels worden teruggeknipt om de vorm te behouden. Vermeerdering gebeurt door zaad. Plantdichtheid is 11 stuks per vierkante meter. De plant is over het algemeen gezond, maar kan gevoelig zijn voor wortelrot bij slechte drainage, bladvlekkenziekte, meeldauw en aantasting door bladluizen.
Potentilla fruticosa ‘Abbotswood’ – Struikganzerik (heester)
Bloeit wit in mei–augustus. Wordt 75 cm hoog en 1,2 meter breed. Standplaats zon–halfschaduw, in goed doorlatende, arme tot matig vruchtbare grond. Verdraagt droogte en zeewind. Bladverliezend en winterhard. Na bloei licht snoeien; oud hout bij basis verwijderen. Plantdichtheid: 4–5 stuks per m².
Potentilla fruticosa ‘Goldfinger’ – Ganzerik (heester)
Bloeit geel in juni–september. Wordt ca. 1 meter hoog en 1,5 meter breed. Niet wintergroen. Standplaats zon–lichte schaduw, in goed doorlatende grond. Licht snoeien in maart.
Potentilla ‘Gibson’s Scarlet’- Ganzerik (Vaste plant)
Bloeit bloedrood van juni–juli en bereikt een hoogte van ongeveer 40–50 cm en een breedte van 60 cm. Het gedijt het beste in de zon, in voedselrijke grond. Bladverliezend. Aanplanten met ca. 7–9 stuks per vierkante meter. Vermeerdering door scheuren. Mogelijke ziekten: wortelrot, meeldauw, bladvlekkenziekte, roest.
Puschkinia scilloides – Buishyacint (Bol)
Bloeit in maart–april met witte en lichtblauwe bloemen en wordt ongeveer 20 cm hoog. Is goed winterhard, bladverliezend en groeit het liefst in zon tot halfschaduw. Plant de bollen van september tot december in humusrijke, goed doorlatende grond vermengd met zand. Ideaal voor verwildering in de tuin. Vermeerderen kan door zaad of broedbollen. Ziekten en plagen: Bolrot, witte schimmel, bladvlekken en schade door muizen of slakken.
Puschkinia scilloides var. libanotica – Buishyacint (bolgewas)
Bloeit wit‑blauw in maart–april en wordt ca. 20 cm hoog. Winterhard en bladverliezend. Standplaats zon–halfschaduw. Planttijd september–december, in humusrijke grond met zand. Gevoelig voor slakken. Geschikt voor verwildering. Vermeerderen door zaad of broedbollen.
Pyracantha coccinea ‘Red Column’ – Vuurdoorn (heester)
Vuurdoorn ‘Red Column’ is een bladhoudende, sterke groeier die geschikt is voor zon tot halfschaduw en vrijwel iedere bodem. De heester is goed winterhard, verdraagt zeewind en kan tot 4 meter hoog en 2 tot 3 meter breed worden. Hij bloeit in mei en juni met witte bloemen en vormt daarna rode bessen die lang blijven hangen en door vogels worden gegeten. Snoeien kan in voorjaar en zomer, maar let op de stevige doorns. Mogelijke ziekten en plagen zijn meeldauw, bacterievuur, bladvlekkenziekte, bladluizen en childluizen.
Pyracantha rogersiana – Vuurdoorn (heester)
Bloeit wit in mei–juni en vormt in de herfst oranje bessen (matig giftig). Winterhard en wintergroen. Wordt 1,8 meter hoog, maar als haag 4–6 meter. Standplaats zon–halfschaduw–schaduw, in goed doorlatende grond. Heeft scherpe stekels. Snoeien in april in model. Vermeerderen door zaad, stek of marcotteren. Plantdichtheid: 1 per m².
Pyrus elaeagnifolia ‘Silver Sails’ – Sierpeer (boom)
Langzaam groeiende sierpeer met een smalle, opgaande kroon van ongeveer 4–6 meter hoog en 2–3 meter breed. De boom valt op door zijn sterk zilvergrijze blad, dat aan de onderzijde bijna wit oogt en in de wind een glanzend effect geeft. In het voorjaar verschijnen kleine witte bloesems die insecten aantrekken. Verdraagt droogte en arme grond goed en vraagt weinig onderhoud; lichte vormsnoei kan worden toegepast om de kroon strak te houden. Geschikt voor kleine tuinen, patio’s en moderne beplantingsschema’s. Mogelijke ziekten: meeldauw, roestschimmel, bladvlekkenziekte, wortelrot, bladluizen, tripsen, witte vlieg, schildluis, bladkevers.
