Plantenencyclopedie L

Laburnum × watereri ‘Vossii’ – Bastaard‑goudenregen (boom)

Bloeit geel in mei–juni en wordt ca. 8 meter hoog. Bladverliezend. Standplaats zon, in goed doorlatende, matig vruchtbare grond. Bekend om de lange, hangende bloemtrossen. Giftig in alle delen.

Lagerstroemia indica ‘With Love Babe’ – Indische sering (Heester)

De Lagerstroemia ‘With Love Babe’ bloeit van juli tot oktober met zachte, roze bloemen. Deze compacte heester wordt ongeveer 40 cm hoog en 40 cm breed. Geef de plant een zonnige, beschutte plek in vruchtbare en goed doorlatende grond. Hoewel deze soort goed winterhard is, kun je jonge planten na de winter het beste extra beschermen tegen strenge vorst. De heester is niet groenblijvend. Voor een goede vulling kun je uitgaan van 3 stuks per vierkante meter. Deze heester is erg bij- en insectvriendelijk en brengt veel leven in je tuin. Mogelijke ziekte: Meeldauw of bladvlekkenziekte.

Lagurus ovatus – Hazenstaart (eenjarig)

Wordt ca. 50 cm hoog en 30 cm breed. Bloeit lichtgroen met een paarse gloed in mei–augustus. Standplaats zon, in lichte, goed doorlatende, matig vruchtbare grond, bij voorkeur zandgrond. Geschikt als snij- en droogbloem.

Lamium maculatum ‘White Nancy’ – Dovenetel (vaste plant)

Semi‑groenblijvend. Wordt ca. 15 cm hoog en breidt zich uit tot 1 meter of meer. Bloeit wit in april–juli. Standplaats halfschaduw–schaduw, in vochtige maar goed doorlatende grond. Sterke bodembedekker.

Lamium galeobdolon subsp. argentatum – Bonte gele dovenetel (vaste plant)

Groenblijvende vaste plant die 20–30 cm hoog en 60–90 cm breed wordt. Bloeit geel van april tot juni. Groeit het best in halfschaduw tot schaduw op matig voedselrijke, lichte, zandige grond. De bonte bladeren zijn behaard maar hebben geen brandharen. Kan zeer dominant worden en moet in de tuin goed binnen de perken gehouden worden. Gevoelig voor meeldauw en kan last hebben van slakken, bladluizen en tripsen. Vermeerderen door afleggen of door een klein stukje wortel te planten. Deze soort wordt vaak gebruikt als bodembedekker omdat hij snel dichte tapijten vormt, zelfs op moeilijke schaduwplekken.

Lamprocapnos spectabilis ‘Alba’ – Gebroken hartje (vaste plant)

Lamprocapnos spectabilis ‘Alba’, het witte gebroken hartje, wordt ongeveer 60–80 cm hoog en vormt een pol van rond de 45–50 cm breed. Het is een voorjaarsbloeier voor halfschaduw met luchtige, witte hartjesbloemen aan sierlijk overhangende stengels. Na de bloei sterft het blad vroeg in de zomer af, wat normaal is voor deze soort. Vermeerderen gaat het eenvoudigst door de wortelkluit te delen in het vroege voorjaar of direct na de bloei. Ook wortelstekken werken goed: stukjes wortel in luchtige, licht vochtige grond maken vanzelf nieuwe scheuten.

Lathyrus latifolius – Brede lathyrus (vaste plant)

Klimmende vaste plant die 2 meter of hoger wordt. Bloeit paarsroze in juni–augustus. Standplaats zon–halfschaduw, in goed doorlatende, vruchtbare, humusrijke grond. In het voorjaar tot aan de grond terugknippen en jonge scheuten toppen voor compacte groei.

Lathyrus vernus – Voorjaarslathyrus (vaste plant)

Wordt 20–45 cm hoog en ca. 45 cm breed. Niet klimmend. Bloeit paarsblauw in april–mei. Standplaats zon–halfschaduw, in goed doorlatende grond. Betrouwbare vroege bloeier.

Lathyrus odoratus ‘Noel Sutton’ – Reukerwt (eenjarig)

Wordt ca. 2 meter hoog en 2,5 meter breed. Standplaats zon–halfschaduw, in goed doorlatende, vruchtbare grond. Bloeit de hele zomer. Sterk geurende bloemen. Regelmatig plukken bevordert doorbloei.

Lathyrus ‘White Supreme’ – Siererwt (eenjarig)

Bloeit wit in juni–september en wordt ca. 2 meter hoog en 2,5 meter breed. Standplaats zon–halfschaduw, in goed doorlatende, vruchtbare grond. Ideaal voor snijbloemen en klimrekken.

Laurus nobilis – Laurier (heester)

Groenblijvende heester met crèmekleurige tot witte bloei in april-mei. Groeit het best op zonnige tot halfschaduwrijke, humusrijke en goed doorlatende grond. Kies een windvrije plek; in de volle grond is bescherming tegen koude wind nodig. Wordt 3 tot 4 meter hoog en blijft compact door snoei in april-juni. In pot: mest geven en eventueel verpotten in het voorjaar. Verdraagt doorgaans tot –5 °C, maar op een beschutte plek in de volle grond vaak zelfs tot –10 °C. Geef bij strengere vorst extra bescherming. Vermeerderen kan eenvoudig door stekken in september. Mogelijke ziektes: wortelrot,  meeldauw, bladvlekkenziekte, hagelschot, laurierluis, schildluis, of taxuskever.

Laurus nobilis ‘Aurea’ – Geelbladige laurier (boom/heester)

Geelbladige cultivar die ca. 12 meter hoog en 10 meter breed kan worden. Gele bloemen in het voorjaar; vrouwelijke planten vormen later zwarte bessen. Standplaats zon–halfschaduw, in goed doorlatende, vochtige, vruchtbare grond. Beschutten tegen gure wind.

Lavandula stoechas ‘Belle Provence Avignon’ – Kuiflavendel/Vlinderlavendel (Halfheester)

Prachtige paarse bloesems tijdens de zomermaanden juni–september, groeit tot ongeveer 60–90 cm hoog en 40–50 cm breed. Gedijt het best in de zon, op goed doorlatende kalkrijke grond. Deze bloemen trekken bijen en vlinders aan. Knip in het voorjaar de toppen van jonge planten 1–2 keer bij. Verwijder in september de oude bloemen om een fris bossige lavendel te behouden naarmate hij ouder wordt. Winterharde, groenblijvende halfheester die vermeerderd kan worden door stekken te nemen in augustus. Mogelijke ziekten: wortelrot, bladvlekkenziekte, schimmelziekte, verwelking.

Lavatera rosea – Malva (Heester) (Tegenwoordig officieel geclassificeerd als Malva)

Deze bladverliezende heester bloeit roze van mei tot oktober en houdt van een zonnige, beschutte plek in goed doorlatende grond. Wordt 1,5–2 meter hoog en ca. 1,5 meter breed. Snoei in maart alle takken terug tot ca. 35 cm boven de grond; de plant bloeit op jonge scheuten. Uitgebloeide bloemen verwijderen verlengt de bloei. Bescherm wortels met een mulchlaag tegen vorst. Trekt bijen en vlinders aan. Mogelijke ziektes: meeldauw, bladvlekkenziekte, wortelrot.

Leucojum aestivum – Zomerklokje (Bol)
Uitspraak = LEU-ko-jum es-TIE-vum

Bloeit van april tot juni met witte bloemen met een groene stip. Elke bloemsteel draagt 3 tot 7 bloemen, en wordt 20 tot 60 cm hoog en 15 tot 30 cm breed. Standplaats op een vochtige, humusrijke bodem met lichte schaduw tot schaduw. Trekt insecten bijen en vlinders aan. Het zomerklokje is gemakkelijk te onderhouden, winterhard, en vormt in de loop der jaren een natuurlijk ogende groep. Vermeerdering vindt plaats door de bollen te delen na de bloei. Snoei is niet nodig; laat het loof afsterven zodat de bol zich kan herstellen. Mogelijke ziektes: Bladvlekkenziekte, wortelrot, schimmelvorming op bollen of slakkenvraat.

Leucothoe axillaris ‘Curly Red’ – Druifheide (Heester)

Wordt 40 à 50 cm hoog en valt op door zijn sterke bladverkleuring: in het najaar roodbruin en in het voorjaar fris rozerood. Is volledig winterhard en staat graag op een zonnige plek, al verdraagt hij ook lichte schaduw. De grond moet lichtzuur, vochtig en goed doorlatend zijn, zodat de wortels luchtig blijven. Na de bloei kan het oude hout worden weggeknipt om jonge, frisse bladeren te stimuleren en de struik compact te houden. Vermeerderen kan uit zomerstek. Aantal per vierkante meter 4 à 5 stuks. Mogelijke ziektes zijn bladvlekkenziekte en wortelrot.

Leucothoe ‘Zeblid’ – Druifheide (heester)

Geeft witte bloemetjes in mei en het jonge blad is paars, in de zomer groen en verkleurt in de winter tot rood. Wordt ongeveer 30 cm hoog en 50 tot 80 cm breed. De standplaats dient zon, lichte schaduw of halfschaduw te zijn op een beschutte plek, in humusrijke, zure en vruchtbare grond. Hoe meer zon, hoe intenser de bladverkleuring in de herfst, mits de grond vochthoudend blijft. De plant is winterhard en wintergroen. Uitgebloeide takken worden na de bloei teruggeknipt tot een krachtige zijscheut, terwijl oudere takken tot aan de grond kunnen worden verwijderd. Vermeerderen door een zomerstek. Mogelijke ziektes: wortelrot, bladvlekkenziekte en meeldauw.

Lewisia cotyledon – Bitterkruid (vaste plant)

Bloeit van juni tot augustus in verschillende tinten en wordt gemiddeld ca. 25 cm hoog en 30 cm breed. Deze plant gedijt het beste in halfschaduw op droge, matig voedzame en goed doorlatende grond om wortelrot te voorkomen. Lewisia cotyledon is winterhard en blijft groen tijdens de winter. Vermeerdering kan plaatsvinden door te zaaien, worteluitlopers te gebruiken of nieuwe rozetten te splitsen en te herplanten. Aanbevolen is om ca. 25 exemplaren per vierkante meter te planten voor een optimale uitstraling. Mogelijke ziekten: Wortelrot, meeldauw, bladvlekkenziekte, botrytis (grauwe schimmel), slakkenvraat.

Leycesteria formosa – Fazantebes (Heester)

Bloeit wit met rode schutbladeren in juli–september en wordt 1,5–2 meter hoog en ongeveer 1,5 meter breed. Houdt van een beschutte standplaats in zon tot halfschaduw, bij voorkeur op het zuiden. De grond moet goed doorlaatbaar zijn. Niet‑wintergroen en redelijk winterhard. Na de bloei verschijnen bessen die van rood naar zwart verkleuren en zeer geliefd zijn bij vogels. Snoei in het voorjaar goed terug. Mogelijke ziekten: botrytis, meeldauw, bladvlekkenziekte, wortelrot. Vermeerderen: zaaien in september–november of stekken in maart/april/mei. Plantdichtheid:3–4 per m². De bessen zijn eetbaar voor mensen, maar vooral geliefd bij vogels door hun zoete geur en opvallende kleur.

Liatris spicata – Knopige slangenwortel (vaste plant)

Bloeit paars/violet in juli–augustus en wordt 75–100 cm hoog en 30–50 cm breed. Standplaats: zon tot halfschaduw, op goed doorlatende, niet te natte grond. Is bladverliezend en winterhard. Na de winter de dode plantendelen afknippen. Plantdichtheid: 9 stuks per m². Vermeerderen: delen in het voorjaar. Mogelijke ziekten: wortelrot bij natte grond, bladvlekkenziekte. Liatris bloeit van boven naar beneden, wat uniek is onder vaste planten en veel vlinders aantrekt.

Ligularia dentata ‘Othello’ – Kruiskruid (vaste plant)

Bloeit geel in juli–augustus en wordt 100–120 cm hoog en 60–90 cm breed. Standplaats: zon tot halfschaduw, op vochtige tot natte, humusrijke grond. Is niet wintergroen en winterhard. Heeft opvallend donker bladen trekt bijen en vlinders aan. Plantdichtheid: 5 stuks per m².  Vermeerderen: delen in het voorjaar. Mogelijke ziekten: slakkenvraat, wortelrot bij te natte grond, bladvlekkenziekte. Ligularia ‘Othello’ staat prachtig langs vijverranden omdat hij vochtige grond verdraagt en sterk contrasteert met lichtgroene beplanting.

Lilly Rose – Struikroos

Deze prachtige struikroos bloeit van juni tot oktober met roze bloemen en bereikt een hoogte van 35–40 cm. De Lilly Rose gedijt het beste in een zonnige tot halfschaduwrijke omgeving met een losse, voedzame bodem. Het is een veerkrachtige soort die doorgaans goed bestand is tegen rozenziekten. Na de bloei is het aan te raden de plant indien nodig terug te snoeien. Regelmatige bemesting en voldoende water bevorderen een weelderige groei. Hoewel sterk, kan de struikroos soms gevoelig zijn voor meeldauw, sterroetdauw of bladluizen. Tijdens de bloeiperiode trekt ze volop vlinders en bijen aan.

Lobelia ‘Fan Pink’ – Lobelia (vaste plant / tweejarig)

Lobelia ‘Fan Pink’ bloeit roze van augustus tot oktober en wordt ongeveer 80 centimeter hoog en circa 40 tot 50 centimeter breed. De plant staat graag in de zon tot halfschaduw, in voedzame, humusrijke en goed doorlatende grond. Laat de grond niet uitdrogen. De plant is niet winterhard en niet groenblijvend. Verwijder regelmatig uitgebloeide bloemen voor hernieuwde bloei en geef af en toe wat mest. Lobelia’s zijn gevoelig voor emelten en slakken. Plant 7 tot 9 stuks per vierkante meter. Vermeerderen: scheuren in het voorjaar. Mogelijke ziekten/plagen: emelten, slakken.

Lonicera henryi ‘Copper Beauty’- Kamperfoelie (Klimplant)

Semi-wintergroen; bladverlies bij strenge vorst. Bloeit geel-roze met witte tinten van juni–september en wordt ca. 4–5 m hoog. De bloemen trekken insecten aan en de vruchtkleur is blauwzwart. Heeft koperkleurig jong blad. Niet zelfhechtend. Gedijt in humusrijke of normale grond, op zonnige tot schaduwrijke plekken. Aanplanten met ca. 1 stuk per vierkante meter. Snoei twee keer per jaar voor betere vertakking en volle groei: in maart–april en september. Mogelijke ziekten: Bladluizen, meeldauw, bladvlekkenziekte, wortelrot. Vermeerderen zonder licentie verboden.

Lonicera sempervirens- Pijpkamperfoelie (Klimplant)

Bloeit oranje-scharlaken van juni–augustus. Winterhard en bladverliezend. Wordt ca. 3 m hoog en ca. 1,5–2 m breed. Gedijt het best in halfschaduw op diverse grondsoorten, bij voorkeur klei. Aanplanten met ca. 1 stuk per vierkante meter. Snoeien na de bloei; verwijder oud hout in de winter. Vermeerdering door zomer- of winterstekken, afleggen of zaaien. Mogelijke ziekten: Wortelrot, bladluizen, meeldauw.

Lonicera tatarica – Tataarse struikkamperfoelie (struik)

Lonicera tatarica is een sterke, bladverliezende struik die bekendstaat om zijn vroege bloei en opvallende roze tot lichtrode bloemen. De struik wordt 2–3 meter hoog en 2–3 meter breed, met een losse, opgaande groeiwijze en frisgroen blad dat in het voorjaar snel uitloopt. Hij bloeit in mei en juni, vaak rijk en geurend, waarbij de bloemen veel bijen en andere bestuivers aantrekken. Na de bloei verschijnen rode bessen die in de zomer opvallen tussen het blad. De plant staat graag in de volle zon tot lichte halfschaduw en verdraagt zowel droge als kalkrijke grond goed. Lonicera tatarica is volledig winterhard en vraagt weinig onderhoud; een lichte vormsnoei na de bloei houdt de struik luchtig en vitaal. Vermeerderen: halfhoutige stekken in de zomer of zaaien. Mogelijke ziekten: meeldauw, bladluizen, bladvlekkenziekte, verwelkingsziekte.

Lunaria annua ‘Sissinghurst White’ – Judaspenning (tweejarig)

Bloeit met witte bloemen in mei en juni. Wordt 90 tot 120 centimeter hoog en ongeveer 40 tot 60 centimeter breed. Hij staat het liefst in halfschaduw op een plek waar de grond in de zomer niet te veel uitdroogt. Vermeerderen kan eenvoudig door ter plekke te zaaien in mei en juni; het zaad slechts licht aandrukken en nauwelijks afdekken, omdat het een lichtkiemer is. Mogelijke ziekten en plagen zijn meeldauw, wortelrot en bladluizen, maar over het algemeen is Judaspenning een sterke plant die zich gemakkelijk uitzaait en vaak voor sierlijke zaaddozen zorgt in de nazomer en herfst.

Lupinus ‘Gallery Red’ – Lupine (vaste plant)

Bloeit rood in mei en juni en vormt daarna lange peulen. De plant is winterhard maar niet wintergroen, wordt 45 tot 60 cm hoog en is kortlevend. Bloeit meestal pas in het tweede jaar en staat graag op een plek in de zon of halfschaduw. De grond moet vruchtbaar, zuur en voldoende vochtig zijn, maar niet te nat, omdat de lupine slecht tegen natte winters kan. Per vierkante meter  vier exemplaren aanplanten. Vermeerderen: door te zaaien. Het zaad is een lichtkiemer en mag niet met aarde worden bedekt. Zaaien kan ter plekke van september tot april. De plant kan worden aangetast door fusarium‑verwelking, meeldauw, bladluizen en de lupine‑bladkever.

Lysimachia ciliata ‘Firecracker’ – Wederik (vaste plant)

Bloeit geel in juli–augustus. Wordt ca. 75 cm hoog en 30–50 cm breed. Standplaats: zon tot lichte halfschaduw, humusrijke, vochthoudende grond. Is winterhard, bladverliezend en niet windgevoelig. Plantdichtheid: 5 stuks per m². Vermeerderen: delen in het voorjaar. Mogelijke ziekten: meeldauw, bladvlekkenziekte, wortelrot en slakkenvraat. Het donkerpaarse blad geeft zelfs zonder bloei een sterk kleurcontrast, waardoor deze cultivar vaak wordt gebruikt om lichte of groene borders visueel diepte te geven.

Lysimachia clethroides – Wederik (Vaste plant)

Bloeit in juli–september met witte bloemen en wordt ongeveer 90 cm hoog. Staat graag in de zon of halfschaduw in goed doorlaatbare, vochtige grond die humus mag bevatten, maar niet rijk hoeft te zijn aan voeding. Kan gaan woekeren door zijn sterke wortelgroei. Per vierkante meter 7 planten. Is niet groenblijvend maar wel volledig wintervast. Vermeerderen kan door te scheuren/delen in het voor- of najaar. Mogelijke ziektes zijn meeldauw en wortelrot.

Scroll naar boven