Calendula officinalis ‘Fiesta Gitana’
Goudsbloem (Eenjarig) Wordt 30 cm hoog en 30 tot 45 cm breed. Bloeit van zomer tot herfst in oranje en gele tinten. Standplaats zon of halfschaduw, in goed doorlaatbare, arme tot matig vruchtbare grond.
Callicarpa bodinieri var. giraldii ‘Profusion’
Callicarpa (Heester) Wordt 3 m hoog en 2,5 m breed. Is bladverliezend en bloeit lichtroze in de zomer. Krijgt violette bessen in het najaar. Standplaats zon of halfschaduw, in goed doorlatende, vruchtbare grond. Ieder voorjaar enkele takken tot de grond terugsnoeien.
Callistemon citrinus ‘Splendens’
Lampenpoetser (Heester) Wordt 2 tot 8 m hoog en 5 tot 6 m breed. Groenblijvende struik die in voorjaar en zomer met felrode aren bloeit. Het blad geurt naar citroen. Beschermen tegen kou. Standplaats zon, in vochtige maar goed doorlatende grond en beschut. Verwijder verwelkte bloemen om de bloei te verlengen.
Calocephalus brownii – Zilverstruikje (1‑jarig)
Eurybia divaricata bloeit wit in augustus en september en wordt ongeveer 40 tot 60 centimeter hoog en circa 40 tot 50 centimeter breed. De plant groeit goed op vrijwel iedere normale tuingrond en verdraagt zowel zon als halfschaduw. Droogte en schaduw worden opvallend goed verdragen, waardoor de soort geschikt is voor bosranden en lichte schaduwplekken. De bloemen trekken veel insecten aan. Het is een vaste plant die niet wintergroen is. Plant 7 tot 9 stuks per vierkante meter voor een gelijkmatige bodembedekking. Geef jaarlijks een gift kalk om de groei te ondersteunen. Vermeerderen: in het voorjaar te delen. Mogelijke ziekten: meeldauw, wortelrot.
Caltha palustris ‘Alba’ – Gewone dotterbloem (Vaste plant)
Bloeit in maart–april wit en bereikt een hoogte van 30–40 cm. De standplaats dient vochtig en zonnig te zijn. Is winterhard en niet wintergroen. Plant 3–5 stuks per vierkante meter. Vermeerderen kan door te scheuren na de bloei of door ter plekke te zaaien. Kan last krijgen van schimmel, bladvlekken, wortel of stengelrot en slakken.
Caltha palustris – Dotterbloem (moerasplant, vaste plant)
Vaste moerasplant die geel bloeit van april tot juni en ± 50 cm hoog en 30–60 cm breed wordt. Groeit het best in zon tot lichte schaduw en staat graag vochtig tot nat, vaak langs vijverranden. Niet groenblijvend maar wel winterhard. Na de bloei drijven de zaden weg en kiemen elders langs de oever; soms volgt in augustus een tweede nabloei. Vermeerderen door zaaien of scheuren van de wortelstok. De plant is licht giftig. Gevoelig voor bacterievlekken en grijze schimmel; kan last hebben van bladluizen, slakken en mineervliegen. Dotterbloemen behoren tot de vroegste voorjaarsbloeiers en werden vroeger gebruikt als natuurlijke kleurstof voor boter.
Camellia ‘Inspiration’
Camellia (Heester) Groenblijvende struik die 4 m hoog en 2 m breed wordt. Bloeit dieproze van midden winter tot eind voorjaar. Standplaats halfschaduw, in vochtige, goed doorlatende, vruchtbare tot zure grond. Beschut tegen koude wind.
Camellia japonica ‘Adolphe Audusson’
Camellia (Heester) Groenblijvende struik die 5 m hoog en 8 m breed wordt. Bloeit donkerrood in februari tot april. Standplaats halfschaduw, in vochtige, goed doorlatende, humusrijke, neutrale tot zure grond. Beschut tegen koude wind.
Camellia japonica ‘Alexander Hunter’
Camellia (Heester) Groenblijvende struik die 9 m hoog en 8 m breed wordt. Bloeit karmozijnrood in maart en april. Standplaats halfschaduw, in vochtvasthoudende, vruchtbare, neutrale tot zure grond. Beschut tegen gure wind.
Camellia japonica ‘Brushfield’s Yellow’ – Camelia (heester)
Camellia japonica ‘Brushfield’s Yellow’ is een wintergroene heester met grote, anemoonvormige bloemen. De buitenste kroonbladen zijn roomwit, terwijl het hart gevuld is met zachtgele, opgerolde bloemblaadjes die een warm, bijna lichtgevend centrum vormen. De bloei valt meestal tussen februari en april. De heester groeit compact en wordt ongeveer 1,5 tot 2 meter hoog en 1,2 meter breed. Hij houdt van halfschaduw, een beschutte plek en zure, humusrijke, gelijkmatig vochtige grond. Ziekten die kunnen voorkomen zijn bladvlekkenziekte, wortelrot, luis en roetdauw. Vermeerderen gebeurt door stekken in de zomer of door afleggen.
Camellia japonica ‘Elegans’
Camellia (Heester) Groenblijvende struik die 9 m hoog en 8 m breed wordt. Bloeit rozerood in februari tot april. Standplaats halfschaduw, in vochtige, vruchtbare, neutrale tot zure grond. Beschut tegen gure wind en vorst.
Camellia japonica ‘Oki No Nami’ – Camelia (heester)
Camellia japonica ‘Oki No Nami’ wordt 1,5 tot 2 meter hoog en breed en bloeit in februari–april met roze bloemen met strepen. De plant is bladhoudend en redelijk winterhard, maar kuipplanten moeten bij lichte vorst naar binnen. De standplaats is bij voorkeur schaduwrijk, beschut en in goed doorlatende, luchtige, zure en voedingsrijke grond. Houd de grond licht vochtig en geef weinig mest, alleen tijdens de bloei. Vermeerderen kan door zaaien of stekken. Mogelijke ziekten/plagen: bladluizen, roetdauw, wortelrot, zonnebrand.
Camellia japonica ‘Margaret Davis’ – Japanse camelia / camelia‑struik (heester)
Camellia japonica ‘Margaret Davis’ bloeit crème‑wit met een roze rand in maart–april en is bladhoudend. De plant wordt ongeveer 2 meter hoog en 1,5–2 meter breed. De camelia groeit het beste in een gematigd, licht vochtig klimaat. Geef kalkvrij water en gebruik kalkvrije, organische mest. Snoeien is meestal overbodig omdat de plant in ons klimaat langzaam groeit. Standplaats: lichte schaduw. Na het vormen van de knoppen geen mest meer geven. Vermeerderen kan door stekken of enten. Mogelijke ziekten: bladluizen, roetdauw, wortelrot, zonnebrand.
Campanula cochleariifolia
Dwergklokje (Vaste plant) Bloeit wit of mauveblauw in juni tot augustus. Woekert sterk. Wordt 8 cm hoog en 50 cm breed of meer. Standplaats zon tot halfschaduw, in vochtige, goed doorlatende grond.
Campanula ‘Get Mee’- Klokjesbloem (Vaste plant)
Bloeit wit of paars van juni–juli, met een nabloei in september en wordt ca. 15 cm hoog en ca. 20–30 cm breed. Haal steeds de uitgebloeide bloemetjes weg voor herbloei. Gedijt in de zon of halfschaduw, in humeuze grond. Vermeerdering door ondergrondse uitlopers. Mogelijke ziekten: Bladluizen, slakkenvraat, kroonrot, roest, meeldauw.
Campanula glomerata ‘Acaulis’- Kluwenklokje (Bodembedekker)
Deze plant bloeit in paarsblauw van juni–augustus. Wordt ca. 30 cm hoog en ca. 1 m breed. Gedijt het beste op een plek met veel zon of lichte schaduw. Heeft vochthoudende, voedselrijke en goed doorlatende grond nodig. Bladverliezend en winterhard. Aanplanten met ca. 8–11 stuks per vierkante meter. Vermeerdering door scheuren of stekken in het vroege voorjaar. Mogelijke ziekten: Kroonrot (bij te natte standplaats), slakkenvraat, bladvlekkenziekte, roest
Campanula glomerata ‘Superba’
Kluwenklokje (Vaste plant) Wordt 75 cm hoog en 1 m of meer breed. Bloeit paarsviolet in juli tot september. Standplaats zon tot halfschaduw, in vochtige, goed doorlatende, neutrale tot alkalische grond. Na de bloei terugknippen voor een mogelijke tweede bloei.
Campanula lactiflora ‘Loddon Anna’
Melkklokje (Vaste plant) Bloeit lilaroze in juni en juli en wordt ongeveer 1,2 m hoog en 60 cm breed. Standplaats zon tot halfschaduw, in vochtige, goed doorlatende, vruchtbare grond.
Campsis × tagliabuana ‘Madame Galen’
Trompetklimmer (Klimplant) Klimt met hechtwortels maar heeft begeleiding nodig. Bloeit oranjerood in juli tot september en wordt 10 m hoog of meer. Standplaats zon, in vochtige, goed doorlatende, vruchtbare grond.
Cardiocrinum giganteum
Reuzenlelie (Bolgewas) Wordt 1,5 tot 4 m hoog en 45 cm breed. Bloeit wit met donkerpaarse vlekken in juli en augustus. Het kan zeven jaar duren voordat de plant bloeit. Standplaats halfschaduw, in diepe, vochtige, koele, humusrijke, goed doorlatende grond. Gevoelig voor slakken.
Carex elata ‘Aurea’
Stijve zegge (Vaste plant) Is bladverliezend en heeft goudgeel blad. Bloeit met donkerbruine, onopvallende aren begin zomer. Wordt 70 cm hoog en 45 cm breed. Standplaats zon tot halfschaduw, in vochtige tot natte, tamelijk vruchtbare grond.
Carex morrowii ‘Variegata’ – Zegge (siergras)
Carex morrowii ‘Variegata’ is een wintergroen siergras met opvallend licht gestreept blad. In april en mei verschijnen lichtbruine aren. De plant wordt 30 tot 40 cm hoog en circa 40 cm breed. Hij groeit goed in zon, halfschaduw of schaduw, bij voorkeur in vochtige tot natte grond. Plant ongeveer 7 stuks per vierkante meter voor een volle beplanting. Vermeerderen kan eenvoudig door te scheuren. Engels gras is over het algemeen sterk, maar kan bij te natte grond last krijgen van wortelrot en verwelking.
Ceanothus thyrsiflorus – Amerikaanse sering (vaste plant/struik)
Ceanothus thyrsiflorus is een groenblijvende Amerikaanse sering die opvalt door zijn dichte groei en helderblauwe bloempluimen. De struik wordt 2–3 meter hoog en 1,5–2 meter breed, met glanzend donkergroen blad dat het hele jaar structuur geeft. Hij bloeit in mei en juni, vaak rijk en opvallend, waarbij de blauwe bloemtrossen veel bijen en andere bestuivers aantrekken. De plant staat graag in de volle zon en houdt van een warme, beschutte plek tegen bijvoorbeeld een muur. De bodem moet goed doorlatend zijn; natte winters verdraagt hij slecht. In zachte winters blijft hij mooi groen, maar in strenge vorst kan hij deels invriezen en daarna weer uitlopen. Vermeerderen: halfhoutige stekken in de zomer. Mogelijke ziekten: meeldauw, wortelrot, bladschimmel, bladluizen.
Centranthus ruber ‘Coccineus’ – Spoorbloem (Vaste plant)
Bloeit met dieproze tot rode bloemen in losse schermen van juni – augustus. Wordt 60 – 90 cm hoog en ca. 50 cm breed. Bladverliezend en winterhard. Gedijt het best in droge, kalkrijke grond op een zonnige locatie. Aanplanten met ca. 7 stuks per vierkante meter. Vermeerdering door scheuren (moeilijk) of door ter plaatse te zaaien in mei – juni of september – oktober. Mogelijke ziekten: wortelrot, meeldauw, bladvlekkenziekte.
Cephalanthus ‘Magical Moonlight’ – Kogelbloem (heester)
Cephalanthus ‘Magical Moonlight’ bloeit wit van juli tot oktober en wordt 1,20 tot 1,50 meter hoog en 80 tot 120 cm breed. Deze bladverliezende, goed winterharde heester staat graag in zon tot halfschaduw, waarbij meer zon zorgt voor een rijkere bloei. Beschutting houdt de bloemen langer mooi. De plant groeit het best in humusrijke, vochthoudende maar doorlatende grond met een pH tussen 6 en 7. Vermeerdering kan via stekken in juli tot augustus of door afleggen; zaaien is traag en kan variatie in bloemkleur geven. Mogelijke ziekten: bladvlekkenziekte, meeldauw, wortelrot, bladluizen en witte vlieg.
Cephalanthus occidentalis – Kogelbloem (heester)
Cephalanthus occidentalis bloeit roomwit in juli tot augustus, wordt ongeveer 1,75 m hoog en 1,50 m breed en verspreidt een lichte honinggeur. Deze bladverliezende, goed winterharde heester staat graag in de zon tot halfschaduw in een voedzame, vochtige maar goed doorlaatbare grond. Snoeien kan, maar is meestal niet nodig. De plant trekt veel vlinders en hommels aan en wordt per vierkante meter met één exemplaar aangeplant. Vermeerderen kan door in het voorjaar half verhoute stekken te nemen of door binnenshuis te zaaien en de jonge planten in het voorjaar buiten uit te planten. Mogelijke ziekten: echte meeldauw, bladschimmel.
Cerastium tomentosum – Hoornbloem (Vaste plant)
Cerastium tomentosum, of hoornbloem, is een laagblijvende, groenblijvende vaste plant die bloeit met witte bloemen in mei en juni. De plant wordt ongeveer 15 cm hoog en kan zich tot 1,5 meter breed uitbreiden. Ze groeit het best op een zonnige plek in goed doorlatende grond die licht kalkhoudend mag zijn. De zilvergrijze, viltige bladeren geven de plant een decoratief karakter. Na de bloei is terugknippen aan te raden om herbloei te stimuleren. De plant is goed winterhard en trekt bijen en vlinders aan. Vermeerderen kan eenvoudig door te scheuren. Mogelijke ziektes: wortelrot, meeldauw, stengelrot, bladvlekkenziekte.
Chamaecyparis pisifera ‘Filifera Nana’ – Schijncipres / Draadcipres (dwergconifeer)
De plant vormt een breed bolronde, laagblijvende dwergconifeer met fijne, draadachtige twijgen en frisgroen tot donkergroen loof. Groeit zeer langzaam en bereikt uiteindelijk 50–80 cm hoog en 80–100 cm breed. Verdraagt zon tot halfschaduw en vraagt een goed doorlatende, lichtzure tot neutrale bodem. Kan gevoelig zijn voor wortelrot. Vermeerderen: stek in zomer of vroege herfst. Aanplant: 3 plant per m².
Chamaerops humilis- Europese Dwergpalm
Bloeit in de vroege zomer. Mannelijke bloemen ruiken naar parfum en zijn langer dan vrouwelijke. De plant is tweehuizig; voor vruchtzetting zijn zowel mannelijke als vrouwelijke exemplaren nodig. De dadelachtige vruchten zijn niet eetbaar. Bestuiving gebeurt door de wind. Wordt ca.2–4 meter hoog en 1–2 meter breed, hoewel dit in potten vaak kleiner is. Winterhard tot -16°C, maar bescherming wordt geadviseerd vanaf -10°C. Gedijt op een zonnige standplaats in goed doorlatende, humeuze grond. Vermeerdering door zaaien of door zijscheuten te stekken. Mogelijke ziekten: Stengelrot (Phytophthora), bladvlekkenziekte (o.a. Fusarium), schildluis.
Cistus creticus- Rotsroos (Heester)
Bloeit van juni–augustus met lila-roze bloemen en wordt ca. 100 cm hoog en ca. 90 cm breed. Matig winterhard en wintergroen met een aangename geur. Gedijt op een droge en warme plek met zonlicht, in goed doorlatende, zure grond en beschutting. Snoeien na de bloei, of niet snoeien. Vermeerdering door zaaien (koude bak of voorjaar). Mogelijke ziekten: Wortelrot (bij te natte grond), bladvlekkenziekte.
Clematis Early Sensation – Bosrank (Klimplant)
Bloeit wit van maart tot april en wordt 2–2,5 m hoog. Geurige bloemen trekken bijen en vlinders aan en geven na de bloei vruchtpluizen. Bladverliezend, groeit het beste in de volle zon op licht vochtige, waterdoorlatende grond, beschut tegen koude wind. Matig winterhard; bij strenge vorst bescherming geven. Geen snoei nodig, maar eventueel na de bloei. Vermeerderen door afleggen of stengelstek. Mogelijke ziektes: Bladvlekken: donkere vlekken op bladeren; verwijder aangetast blad. Sluipwespen en bladluizen: kunnen bladeren aantasten; bestrijd biologisch of met waterstraal. Wortelrot: bij te natte grond; plant in goed doorlatende bodem en vermijd wateroverlast.
Clematis ‘Evergreen Tai Yang’ – Bosrank (klimplant)
Groenblijvende klimplant die in april–juni bloeit en ± 1 m hoog wordt. Houdt van een zonnige, beschutte plek en is winterhard tot ongeveer –10 °C. Snoei direct na de bloei: verwijder uitgebloeide bloemen en slappe, snelgroeiende scheuten; soms volgt dan een tweede bloei in het najaar. Gevoelig voor stengelrot en meeldauw; kan daarnaast last hebben van bladluizen, slakken en tripsen. Vermeerderen door afleggen of halfhoutige stek. Deze compacte clematis is ideaal voor kleine tuinen of potten, omdat hij groenblijvend is én meerdere keren per jaar kan bloeien.
Clematis ‘Giselle’ – Bosrank (Klimplant)
Clematis ‘Giselle’ bloeit lilaroze van mei tot september en bereikt een hoogte van 1,20 tot 1,50 meter. De plant is niet groenblijvend, maar wel winterhard. Ze trekt bijen en vlinders aan en verlangt een standplaats in de zon of halfschaduw, in normale tot vochtige grond. In het voorjaar wordt ze teruggesnoeid tot 30 à 50 cm boven de grond en heeft baat bij regelmatige bemesting. Hoewel ze robuust is, kan Clematis ‘Giselle’ gevoelig zijn voor ziektes zoals clematisverwelking, meeldauw en wortelrot. Ook bladluizen en rupsen kunnen schade veroorzaken.
Clematis ‘Jackmanii Purpurea’– Bosrank (Klimplant)
De Clematis ‘Jackmanii Purpurea’ bloeit van juni tot augustus met opvallende paarse bloemen en kan een hoogte van circa 3 meter bereiken. Deze bladverliezende, winterharde klimplant gedijt het beste op een plek met halfschaduw tot zon. Het is raadzaam lagere planten rond de basis te zetten om de bodem te beschermen tegen direct zonlicht en de wortels koel te houden. Voor een optimale verzorging wordt aanbevolen om in maart terug te snoeien tot een hoogte van 30–50 cm en de grond vochtig te houden. Hoewel sterk, kan deze clematis soms gevoelig zijn voor verwelkingsziekte, meeldauw of bladschimmel, wat haar groei tijdelijk kan verzwakken.
Clematis montana ‘Fragrant Spring’ – Bosrank (Klimplant)
Snelgroeiend met lichtroze bloemen in april en mei. Deze bloemen trekken bijen en vlinders aan. Groeit tot wel 8 meter hoog, is winterhard tot -20°C, en verliest zijn blad in de winter. Hij gedijt het best op een plek met lichte schaduw, in matig vruchtbare en vochtige grond. Bescherm jonge planten tegen nachtvorsten. Snoei licht na de bloei om de groei te bevorderen. Vermeerderen kan eenvoudig via semi-verhoute stekken in juni of juli. Veelvoorkomende ziektes: Clematisverwelking, meeldauw, bladvlekkenziekte of wortelrot bij slechte drainage.
Clematis montana ‘Rubens’ – Bosrank (Klimplant)
Bloeit pastelroze in mei–juni met een lichte vanillegeur. Wordt 6–8 meter hoog. Groeit het best in zon tot halfschaduw op vochtige, goed doorlaatbare grond; zet de voet in de schaduw. Bemest vóór de bloei, niet tijdens. Bloeit op oud hout. Snoei is niet noodzakelijk, maar lichte terugsnoei na de bloei kan bij te grote groei. Winterhard. Trekt bijen en vlinders aan. Vermeerdering via stek of afleggen. Ziektes: clematisverwelking, bladvlekkenziekte, bladluizen, spint.
Clematis ‘Nelly Moser’ – Bosrank (Klimplant)
Grootbloemige clematis met lichtpaarse bloemen en karmijnrode streep. Bloeit in mei–juni en opnieuw in september. Wordt circa 3,50 meter hoog en staat graag in zon tot halfschaduw op vochtige, goed doorlaatbare grond; zet de voet in de schaduw. In volle zon verbleken de bloemen snel — halfschaduw behoudt de kleur. Snoei eind februari of begin maart tot boven de nieuwe knoppen; verwijder dode of zwakke stengels. Na de eerste bloei uitgebloeide bloemen wegknippen voor een tweede bloei. Bemest vóór de bloei, niet tijdens; in juli een kleine gift, daarna stoppen. Ziektes: clematisverwelking, bladvlekkenziekte, bladluizen, spint.
Clematis ‘Princess Diana’ – Clematis (klimplant)
Clematis ‘Princess Diana’ is een rankende klimplant met roze, tulpvormige bloemen die bloeien van juli tot september. De plant groeit het best in halfschaduw op humusrijke, gelijkmatig vochtige grond en vormt haar bloemen op jonge scheuten. Deze clematis bereikt een hoogte van ongeveer 150 tot 200 centimeter en een breedte van 60 tot 90 centimeter. Mogelijke ziekten zijn clematisverwelking, meeldauw, bladschimmel, slakkenvraat en spint. Vermeerderen kan door halfhoutige stekken van jonge scheuten te nemen of door ranken af te leggen. Op één vierkante meter past één plant.
Clematis tangutica- Bosrank (Klimplant)
Bloeit geel van juni–oktober en wordt ca. 3 m hoog. Na de bloei verschijnen decoratieve pluiszaden. Winterhard en bladverliezend. Gedijt op een zonnige tot halfschaduwrijke standplaats in humusrijke of normale grond. Aanplanten met ca. 1 stuk per vierkante meter. Snoeien in maart–april. Vermeerdering door zaaien of stekken. Mogelijke ziekten: Verwelkingsziekte (Clematis wilt), meeldauw, bladvlekkenziekte, bladluizen.
Clematis ‘Triternata Rubromarginata’ – Bosrank (Klimmer)
Bloeit met geurende paars/witte bloemen in juli/september en groeit tot ongeveer 3 meter hoog en 150 à 200 cm breed. Staat graag in halfschaduw of zon in goede, niet te natte tuingrond. Is bladverliezend in de winter en volledig winterhard. De bloemen en plantdelen zijn niet eetbaar. Mogelijke ziektes zijn verwelkingsziekte en meeldauw. Snoeien gebeurt in februari/maart. Vermeerderen kan door te stekken of afleggen in het voorjaar. Per vierkante meter 3 stuks.
Clematis viticella – Bosrank (klimmer)
Clematis viticella is een bladverliezende klimplant die 250–300 cm hoog wordt. Ze bloeit paars van juli tot en met september. Ze staat in zon of halfschaduw, in een niet te droge, goed doorlaatbare, vruchtbare grond; de voet van de plant blijft bij voorkeur in de schaduw. De plant is winterhard en resistent tegen verwelkingsziekte. Aanplant: 1 plant per vierkante meter. Mogelijke ziekten: bladvlekkenziekte, meeldauw, wortelrot. Snoeien: in het voorjaar terugknippen tot ongeveer 30 cm boven de grond, of alleen dood hout verwijderen. Vermeerderen: door zomerstek of door ter plekke te zaaien in september. Meest betrouwbare clematis omdat ze vrijwel nooit last heeft van verwelking.
Cleome spinosa – Kattensnor (eenjarig)
Cleome spinosa bloeit violet, paars of wit van juli tot aan de eerste vorst, wordt 60–80 cm hoog en ongeveer 40–50 cm breed. Deze eenjarige kattensnor staat graag in de volle zon in een vochthoudende, goed doorlaatbare grond en groeit krachtig door tijdens warme zomers. Zaaien gebeurt ter plekke in half maart of half april, waarna de planten snel opkomen en tijdens de bloei extra voeding waarderen. Mogelijke ziekten: echte meeldauw, bladvlekkenziekte. De lange meeldraden geven de plant zijn kenmerkende ‘snor’, de bloemen worden intensiever van kleur bij veel zon en de plant trekt opvallend veel bijen en zweefvliegen aan.
Crocosmia ‘Lucifer’ – Montbretia (knol)
Bloeit oranje‑rood van juni tot augustus en wordt ca. 100–150 cm hoog en 40–60 cm breed. Standplaats: zon tot halfschaduw, op goed doorlatende, matig voedselrijke grond. Is matig windgevoelig, maar goed bestand tegen zeewind. Plantdichtheid: 11 stuks per m². Vermeerderen: scheuren in het voorjaar— de buitenste knollen terugzetten en het oude, uitgeputte midden verwijderen. Let op: knollen rotten snel bij te natte grond. Is niet wintergroen en matig winterhard; in natte winters meer risico op uitval. Crocosmia ‘Lucifer’ is één van de meest gebruikte roodbloeiende knolgewassen en trekt opvallend veel bijen en vlinders.
Conium maculatum- Gevlekte scheerling (Meestal als tweejarige)
Bloeit met witte bloemen van juni–september. Wordt ca. 2,5 m hoog en ca. 1 m breed. De plant verspreidt een onaangename geur en is extreem giftig. Gedijt op een zonnige, warme plek in droge tot vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke grond met kalk. Winterhard en bladverliezend. Vermeerdering door zaaien (zelfzaaiend). Mogelijke ziekten: Bladvlekkenziekte, meeldauw.
Convallaria majalis – Lelietje-van-dalen (Vaste plant)
Deze klassieke voorjaarsbloeier siert de tuin in mei–juni met geurige, witte klokvormige bloemen en bereikt een hoogte van 15–25 cm. Hij groeit het best in halfschaduw tot schaduw op vochtige, humusrijke grond. Hoewel niet groenblijvend, is de plant goed winterhard. Alle delen zijn giftig, dus voorzichtigheid is geboden bij kinderen en huisdieren. De bloemen trekken bijen en andere bestuivers aan, wat bijdraagt aan de biodiversiteit in de tuin. Vermeerdering kan via wortelstok, deling of zaaien, al duurt zaaien relatief lang. Ziektes: bladvlekkenziekte, wortelrot, slakkenvraat.
Coreopsis grandiflora ‘Sunray’- Meisjesogen (Vaste plant)
Bloeit geel van juni–september en wordt ca. 50 cm hoog en ca. 40–50 cm breed. Wintergroen en winterhard. Gedijt op een standplaats in de zon in goed doorlatende, voedselrijke grond. Aanplanten met ca. 7–9 stuks per vierkante meter. Vermeerdering door te zaaien ter plekke in mei–juli of door te scheuren aan het einde van de zomer. Mogelijke ziekten: Kroonrot/wortelrot (bij te natte grond), meeldauw, bladvlekkenziekte, virusziekten, slakkenvraat.
Cornus kousa ‘China Girl’ – Japanse grootbloemige kornoelje (heester)
Bloeit in juni en juli met geel-witte bloemen en wordt ca. 4 m hoog en 6–8 m breed. Standplaats in de zon of halfschaduw, beschut tegen harde wind. Winterhard, maar niet wintergroen. Na de bloei verschijnen rode vruchten die eetbaar zijn; het vruchtvlees smaakt exotisch en zoet, maar is wat melig. Let op: de schil is niet eetbaar. De vruchten zijn ook aantrekkelijk voor vogels. In de herfst verkleurt de kornoelje naar gele en scharlakenrode tinten. Vermeerderen door te stekken is mogelijk. Mogelijke ziekten: Meeldauw, bladvlekkenziekte, wortelrot, bladvlekken, vertakkingsziekte, grauwe schimmel.
Corylopsis pauciflora- Schijnhazelaar (Heester)
Bloeit lichtgeel van maart tot april en wordt ongeveer 1 m hoog en 1 meter breed. De bloemen verschijnen vóór het blad, waardoor ze extra opvallen. Standplaats in zon tot lichte schaduw op een matig voedselrijke, vochthoudende tot vochtige bodem. Winterhard, maar niet wintergroen. Vermeerderen door in de zomer kruidachtige of halfverhoute stekken te nemen of door te enten. Mogelijke ziektes: Bladvlekken: donkere vlekken op bladeren; verwijder aangetast blad. Bladluizen: kunnen bladeren aantasten; bestrijd biologisch of met waterstraal. Wortelrot: bij te natte grond; plant in goed doorlatende bodem en vermijd wateroverlast.
Cosmos bipinnatus – Cosmea (1‑jarig)
Eenjarige die in juli/oktober rijk bloeit in wit, lila en roze en ongeveer 90 cm hoog wordt. Houdt van een zonnige plek met voedselrijke, luchtige grond die niet te nat is. Groeit snel uit tot een open, vertakte plant met fijne, geveerde bladeren die beweging en lichtheid in de border brengen. Cosmea trekt veel bijen en vlinders aan en blijft tot ver in de herfst doorbloeien zolang je blijft plukken of uitgebloeide bloemen verwijdert. Vermeerderen door buiten ter plekke te zaaien in mei/juni; de zaden kiemen gemakkelijk en de plant bloeit hetzelfde jaar. Per vierkante meter 12–15 planten. Mogelijke ziektes zijn meeldauw en bladschimmel.
Cotinus coggygria ‘Royal Purple’ – Pruikenboom (Heester)
Bloeit met kleine geelgroene bloemen in juni – juli, gevolgd door sierlijke, pluimige vruchtstelen (“pruiken”). Wordt ca. 4,5 m hoog en 3 – 5 m breed. Bladverliezend en niet-giftig, met opvallend donkerpaarse bladeren. Gedijt in matig vruchtbare, droge tot vochtige, zanderige grond en vraagt een zonnige standplaats. Gevoelig voor vorstschade in april/mei. Snoei na de bloei om de grootte onder controle te houden, of laat de plant ongestoord groeien. Mogelijke ziekten: bladvlekkenziekte, meeldauw, wortelrot.
Cytisus ‘Golden Sunlight’ – Brem (Heester)
De Brem ‘Golden Sunlight’ is een bladverliezende, goed winterharde heester die geel bloeit van april tot mei. Hij wordt circa 1,5 meter hoog en ongeveer 1 meter breed. Deze sterke struik staat graag in de zon tot halfschaduw, op neutrale tot zure, goed doorlatende grond. Hij is goed bestand tegen wind en zeewind. Snoei direct na de bloei, maar nooit tot op het oude hout, omdat hij bloeit op meerjarig hout. In de herfst verkleuren de olijfgroene zaaddozen naar zwart. Vermeerderen kan door zaaien in mei (na weken van het zaad), al komt hij dan niet zuiver terug, of via zomerstek in augustus. Ziektes: over het algemeen sterk, maar gevoelig voor wortelrot bij slechte drainage.
