Planten die bloeien in september: nazomerkleur voor elke tuin

Welke planten bloeien er in september

Sedum ‘Herbstfreude’ – Hemelsleutel, vetkruid (vaste plant)
Uitspraak: SEE-dum HERBST-froi-de

Sedum ‘Herbstfreude’ wordt ongeveer 50 cm hoog en 40–50 cm breed. De plant bloeit rood‑roze van september tot en met oktober en trekt veel vlinders en bijen aan. De standplaats is zonnig, in droge tot normale, goed doorlatende grond. De plant is niet groenblijvend maar volledig winterhard. Snoei de afgestorven stengels in het vroege voorjaar tot net boven de grond. Vermeerderen: delen in najaar of voorjaar; stekken in het voorjaar. Mogelijke ziekten: wortelrot, bacterierot, Phoma telephii.

Rood-roze bloeiende hemelsleutel in september.

Zanthoxylum simulans – Szechuanpeperboom, Chinese peperstruik (boom/struik)
Uitspraak: zan-thok-SIE-lum sie-MU-lans

Zanthoxylum simulans bloeit geel in mei en wordt 4–6 meter hoog en ongeveer 3–4 meter breed. De standplaats is zonnig tot halfschaduw, in goed doorlatende, niet te natte grond. De takken dragen stekels, waardoor vogels er graag in nestelen. De rijpe bessen zijn eetbaar en onrijpe geven een licht verdovend gevoel. De plant is winterhard tot circa –15 °C. Snoei alleen wanneer de struik te hoog of te breed wordt en beperk snoei tot maximaal 30%. Vermeerderen: zaaien (na een nacht weken, kiemt traag); halfhouten stekken. Mogelijke ziekten: bladkevers, schimmelinfecties aan vruchten.

Eetbare bessen van de chinese peperstruik.

Tricyrtis – Paddenlelie, armeluisorchidee (vaste plant)
Uitspraak: trie-SIR-tis

Tricyrtis is een vaste plant die in september en oktober bloeit met witte, roze, purperen, blauwachtige en gele bloemen. De plant wordt ongeveer 40–80 cm hoog en 30–50 cm breed, afhankelijk van de soort en standplaats. Hij groeit het best in humeuze, vochtvasthoudende maar goed doorlatende grond op een plek in halfschaduw tot schaduw. De plant kan wegvallen door natte, koude winters of langdurige waterverzadiging. Tricyrtis is geschikt voor bostuinen en schaduwrijke borders en heeft een exotische, orchidee‑achtige uitstraling. Snoei is niet nodig; verwijder alleen afgestorven blad in het voorjaar. Vermeerderen: delen in het najaar. Mogelijke ziekten: leliehaantje, slakken.

Wit met rode stippen bloeiende armeluisorchidee in septemeber.

Hedera helix ‘Goldheart’ – Klimop (klimmer)
Uitspraak: HEE-de-ra 

Hedera helix ‘Goldheart’ is een sterke, wintergroene klimplant die tot circa 5 meter hoog en 2–3 meter breed kan worden. De plant groeit in schaduw, halfschaduw en zon en verdraagt zowel droge als vochtige grondsoorten. De bonte bladeren hebben een goudgeel hart en blijven het hele jaar decoratief. Alleen jonge planten klimmen actief; oudere planten kunnen stoppen met hechten wanneer ze te weinig worden teruggesnoeid. Regelmatig snoeien houdt de plant jeugdig en stimuleert nieuwe hechtwortels. De plant bloeit in september–oktober met onopvallende schermen die veel insecten aantrekken. Vermeerderen: stekken in de zomer; afleggen. Mogelijke ziekten: spint, schildluis, wortelrot.

Wintergroene klimop in september.

Pyracantha coccinea – Vuurdoorn (heester)
Uitspraak: pie-ra-KAN-tha kok-SIE-nee-a

Pyracantha coccinea is een wintergroene, winterharde heester die ongeveer 1,80 meter hoog en 1,50–2 meter breed wordt. De plant bloeit in mei en juni met witte schermen, gevolgd door opvallende oranje tot rode bessen in het najaar. Standplaats goed doorlatende, humusrijke grond op een zonnige tot halfschaduwrijke plek. Door de stevige doorns is de plant zeer geschikt als vogelbescherming en als haag. Snoei in juli of augustus wanneer de struik te groot of te breed wordt. Snoei tot enkele centimeters boven de basis. Vermeerderen: zaad; stekken; marcotteren. Mogelijke ziekten: schurft, bacterievuur, bladluizen, wollige bloedluis, spint.

Euonymus fortunei ‘Minimus’ – Kardinaalsmuts, kardinaalshoed (bodembedekker)
Uitspraak: eu-O-nie-mus

Euonymus fortunei ‘Minimus’ is een wintergroene, winterharde bodembedekker die ongeveer 10 cm hoog en 40–60 cm breed wordt. De plant groeit in de zon tot lichte schaduw, in droge tot normale, matig voedselrijke grond. Het blad is klein, frisgroen en blijft het hele jaar decoratief. De plant verdraagt sterke snoei en wordt meestal gesnoeid in het late voorjaar of de zomer om hem compact te houden. Vermeerderen: afleggen. Mogelijke ziekten: meeldauw, rupsen van de stippelmot, papiervlekkenziekte, bladluizen, wollige bloedluis, anthracnose, cercospora‑bladvlek, crown gall.

Dahlia – Dahlia (knol)

Dahlia’s groeien het best in rijke, organische, goed doorlatende grond. In pot hebben ze regelmatig water nodig; in volle grond meestal alleen bij langdurige droogte. Dahlia’s zijn niet winterhard: bij de eerste nachtvorst sterven bladeren en bloemen af, maar de knollen kunnen dit vaak verdragen. Plant knollen tweemaal zo diep als hun hoogte, of bij het rooien 15–23 cm diep. Snijd de stengels na de eerste vorst af, spit de knol voorzichtig uit en laat hem omgekeerd drogen. Bewaar koel, donker en vorstvrij. Vermeerderen: delen van knollen; stekken in het voorjaar. Mogelijke ziekten: slakken, bladluizen, rupsen, meeldauw, bacteriële gal, dahliavirussen, bladvlekkenziekte, bladmineerders, spintmijten, oorwurmen.

Cornus kousa ‘Schmetterling’ – Japanse grootbloemige kornoelje (heester)
Uitspraak: KOR-nus KOE-za

Wordt 3,50 meter hoog en 3,50 meter breed. De plant bloeit in mei en juni met grote, crème‑witte schutbladeren. In september rijpen rode, eetbare en zoete bessen. De plant verkiest een licht zure, humusrijke grond zoals turf of heidegrond en staat het liefst beschut in de zon of lichte halfschaduw. In het najaar verkleurt het blad naar rozerood met groene tinten. De plant is winterhard maar niet wintergroen. Snoei is meestal niet nodig; alleen vormsnoei toepassen in de winter of het vroege voorjaar. Vermeerderen: zaaien; stekken; afleggen. Mogelijke ziekten: echte meeldauw, bladvlekkenziekte, anthracnose, wortelrot, vorstschade.

Rode bessen in september.

Citrus maxima – Pompelmoes (kuipplant)
Uitspraak: SIE-trus MAK-sie-ma

Citrus maxima wordt in ons klimaat als kuipplant gehouden en draagt grote, gele vruchten met een zoete smaak en een licht bittere nasmaak. De plant wordt 2–4 meter hoog en 1,5–3 meter breed, afhankelijk van snoei en potgrootte. Hij staat graag warm en zonnig en overwintert net boven het vriespunt, bij voorkeur tussen 5 en 10 °C. De plant is groenblijvend en bloeit in het voorjaar; de vruchten rijpen in het najaar. Bemesten vanaf eind februari tot en met augustus. Vanaf eind september tot half oktober minder water geven en koel overwinteren. Mogelijke ziekten: citruskanker, anthracnose, schurft, melsecco, gommoz, Phytophthora, melanose, mycosferellose, wortelrot, tristeza, schildluizen, spintmijten, kastrips, witte vlieg, wolluis, bladluizen, tuinslakken, citrusnematoden.

Gele vruchten van de pompelmoes in het najaar.

Oplossingen bij ziekten en plagen

Melsecco (schimmelziekte): Aangetaste delen niet snoeien, plant versterken met luchtige grond en goede drainage, droge lucht vermijden, alleen water aan de voet.

Gommoz (schors‑/gomziekte): Oorzaak wegnemen (te nat, beschadiging), wondranden schoonhouden, drainage verbeteren, boom ontlasten van stress. 

Phytophthora (schimmelziekte): Grond droger houden, drainage verbeteren, potgrond volledig vervangen, aangetaste wortels wegknippen en plant lichter water geven.

Melanose (schimmelziekte): Aangetaste bladeren verwijderen, luchtiger snoeien, niet op blad sproeien, gevallen blad opruimen.

Mycosferellose (schimmelziekte): Aangetaste bladeren verwijderen, luchtcirculatie verbeteren, blad droog houden.

Wortelrot (schimmelziekte): Plant uitpotten, rotte wortels wegsnijden, volledig nieuwe luchtige grond, watergift sterk verminderen.

Tristeza (virusziekte): Besmet materiaal verwijderen, plantstress minimaliseren, alleen virusvrij uitgangsmateriaal gebruiken.

Spintmijten: Dagelijks blad benevelen, plant afspoelen, natuurlijke vijanden stimuleren, luchtvochtigheid verhogen.

Kastrips: Gele vangplaten, plant afspoelen, aangetaste delen wegknippen, luchtvochtigheid verhogen.

Witte vlieg: Gele vangplaten, blad onderzijde afspoelen, natuurlijke vijanden stimuleren, luchtvochtigheid verhogen.

Wolluis: Met wattenstaafje en alcohol stippen, plant afspoelen, luchtcirculatie verbeteren.

Bladluizen: Afspoelen met lauw water, natuurlijke vijanden stimuleren, plant niet overbemesten.

Tuinslakken: Handmatig verwijderen, barrières van scherp zand of schelpen, vochtige schuilplekken weghalen.

Citrusnematoden (microscopisch kleine aaltjes): Grond vervangen, pot ontsmetten, alleen schoon plantmateriaal gebruiken, bodem luchtig houden. 

Spint: Blad benevelen, plant afspoelen, luchtvochtigheid verhogen.

Schildluis: Met alcohol stippen, aangetaste delen wegknippen, plant afspoelen.

Schurft (schimmelziekte): Aangetaste bladeren verwijderen, luchtcirculatie verbeteren, blad droog houden.

Bacterievuur (bacterieziekte): Aangetaste delen ruim wegsnoeien, gereedschap ontsmetten, plantstress verminderen.

Wollige bloedluis: Met alcohol stippen, aangetaste delen verwijderen, luchtcirculatie verbeteren.

Meeldauw (schimmelziekte): Aangetaste bladeren verwijderen, luchtcirculatie verbeteren, niet op blad sproeien.

Rupsen van de stippelmot: Rupsen handmatig verwijderen, spinsels wegknippen, natuurlijke vijanden stimuleren.

Papiervlekkenziekte (schimmelziekte): Aangetaste bladeren verwijderen, luchtiger snoeien, blad droog houden.

Anthracnose (schimmelziekte): Aangetaste delen verwijderen, luchtcirculatie verbeteren, blad droog houden.

Cercospora‑bladvlek (schimmelziekte): Aangetaste bladeren verwijderen, blad droog houden, luchtcirculatie verbeteren.

Crown gall (bacteriële ziekte): Aangetaste delen niet opensnijden, gereedschap ontsmetten, plantstress verminderen, alleen schoon plantmateriaal gebruiken.

Scroll naar boven