Planten die bloeien in september: nazomerkleur voor elke tuin

Welke planten bloeien er in september

In september bloeien verrassend veel planten die de tuin vullen met warme nazomerkleuren en levendige structuur.

Hemelsleutel, vetkruid – Sedum ‘Herbstfreude’ (Vaste plant)
Uitspraak: SEE-dum HERBST-froi-de

Sedum ‘Herbstfreude’ wordt ongeveer 50 cm hoog en 40–50 cm breed. De plant bloeit rood‑roze van september tot en met oktober en trekt veel vlinders en bijen aan. De standplaats is zonnig, in droge tot normale, goed doorlatende grond. De plant is niet groenblijvend maar volledig winterhard. Snoei de afgestorven stengels in het vroege voorjaar tot net boven de grond. Vermeerderen: delen in najaar of voorjaar; stekken in het voorjaar. Mogelijke ziekten: wortelrot, bacterierot, Phoma telephii.

rood-roze bloeiende hemelsleutel in september

Paddenlelie, armeluisorchidee – (Vaste plant)
Uitspraak: trie-SIR-tis

Tricyrtis is een vaste plant die in september en oktober bloeit met witte, roze, purperen, blauwachtige en gele bloemen. De plant wordt ongeveer 40–80 cm hoog en 30–50 cm breed, afhankelijk van de soort en standplaats. Hij groeit het best in humeuze, vochtvasthoudende maar goed doorlatende grond op een plek in halfschaduw tot schaduw. De plant kan wegvallen door natte, koude winters of langdurige waterverzadiging. Tricyrtis is geschikt voor bostuinen en schaduwrijke borders en heeft een exotische, orchidee‑achtige uitstraling. Snoei is niet nodig; verwijder alleen afgestorven blad in het voorjaar. Vermeerderen: delen in het najaar. Mogelijke plagen: leliehaantje, slakken.

wit met rode stippen bloeiende paddenlelie, armeluisorchidee in september

Klimop – Hedera helix ‘Goldheart’ (Klimmer)
Uitspraak: HEE-de-ra 

Hedera helix ‘Goldheart’ is een sterke, wintergroene klimplant die tot circa 5 meter hoog en 2–3 meter breed kan worden. De plant groeit in schaduw, halfschaduw en zon en verdraagt zowel droge als vochtige grondsoorten. De bonte bladeren hebben een goudgeel hart en blijven het hele jaar decoratief. Alleen jonge planten klimmen actief; oudere planten kunnen stoppen met hechten wanneer ze te weinig worden teruggesnoeid. Regelmatig snoeien houdt de plant jeugdig en stimuleert nieuwe hechtwortels. De plant bloeit in september–oktober met onopvallende schermen die veel insecten aantrekken. Vermeerderen: stekken in de zomer; afleggen. Mogelijke ziekten: spint, schildluis, wortelrot.

wintergroene klimop in september

Vuurdoorn – Pyracantha coccinea (Heester)
Uitspraak: pie-ra-KAN-tha kok-SIE-nee-a

Pyracantha coccinea is een wintergroene, winterharde heester die ongeveer 1,80 meter hoog en 1,50–2 meter breed wordt. De plant bloeit in mei en juni met witte schermen, gevolgd door opvallende oranje tot rode bessen in het najaar. Standplaats goed doorlatende, humusrijke grond op een zonnige tot halfschaduwrijke plek. Door de stevige doorns is de plant zeer geschikt als vogelbescherming en als haag. Snoei in juli of augustus wanneer de struik te groot of te breed wordt. Vermeerderen: zaad; stekken; marcotteren. Mogelijke ziekten: schurft, bacterievuur, bladluizen, wollige bloedluis, spint.

Kardinaalsmuts, kardinaalshoed – Euonymus fortunei ‘Minimus’ (Bodembedekker)
Uitspraak: eu-O-nie-mus

Euonymus fortunei ‘Minimus’ is een wintergroene, winterharde bodembedekker die ongeveer 10 cm hoog en 40–60 cm breed wordt. De plant groeit in de zon tot lichte schaduw, in droge tot normale, matig voedselrijke grond. Het blad is klein, frisgroen en blijft het hele jaar decoratief. De plant verdraagt sterke snoei en wordt meestal gesnoeid in het late voorjaar of de zomer om hem compact te houden. Vermeerderen: afleggen. Mogelijke ziekten: meeldauw, rupsen van de stippelmot, papiervlekkenziekte, bladluizen, wollige bloedluis, bladvlekkenziekte, cercospora‑bladvlek, kroongal.

Dahlia – Dahlia (Knol)

Dahlia’s groeien het best in rijke, organische, goed doorlatende grond. In pot hebben ze regelmatig water nodig; in volle grond meestal alleen bij langdurige droogte. Dahlia’s zijn niet winterhard: bij de eerste nachtvorst sterven bladeren en bloemen af, maar de knollen kunnen dit vaak verdragen. Plant knollen tweemaal zo diep als hun hoogte. Snijd de stengels na de eerste vorst af, spit de knol voorzichtig uit en laat hem omgekeerd drogen. Bewaar koel, donker en vorstvrij. Vermeerderen: delen van knollen; stekken in het voorjaar. Mogelijke ziekten en plagen: slakken, bladluizen, rupsen, meeldauw, bacteriële gal, dahliavirussen, bladvlekkenziekte, bladmineerders, spint, oorwurmen.

Japanse grootbloemige kornoelje – Cornus kousa ‘Schmetterling’ (Heester)
Uitspraak: KOR-nus KOE-za

Cornus kousa ‘Schmetterling’ wordt 3,50 meter hoog en 3,50 meter breed. De plant bloeit in mei en juni met grote, crème‑witte schutbladeren. In september rijpen rode, eetbare en zoete bessen. De plant verkiest een licht zure, humusrijke grond zoals turf of heidegrond en staat het liefst beschut in de zon of lichte halfschaduw. In het najaar verkleurt het blad naar rozerood met groene tinten. De plant is winterhard maar niet wintergroen. Snoei is meestal niet nodig; alleen vormsnoei toepassen in de winter of het vroege voorjaar. Vermeerderen: zaaien; stekken; afleggen. Mogelijke ziekten: meeldauw, bladvlekkenziekte, anthracnose, wortelrot, vorstschade.

bloeiende chinese kornoelje cornus kousa ‘schmetterling’ in de tuin

Oplossingen bij ziekten en plagen

  • Meeldauw – witte schimmel op blad; aangetaste delen verwijderen en luchtcirculatie verbeteren.
  • Roest – oranje vlekken op blad; aangetaste delen wegknippen en blad droog houden.
  • Bladvlekkenziekte – donkere vlekken; aangetast blad verwijderen en plant luchtiger zetten.
  • Wortelrot – te natte grond; drainage verbeteren en watergift verminderen.
  • Stengelrot – zachte, ingezakte stengels; aangetaste delen verwijderen en grond droger houden.
  • Botrytis (grijze schimmel) – grijze aanslag op blad of bloem; aangetaste delen weghalen en plant droger zetten.
  • Bladluizen – kleverige honingdauw; wegspoelen met water en natuurlijke vijanden stimuleren.
  • Witte vlieg – kleine witte vliegjes; gele vangplaten gebruiken en blad onderzijde afspoelen.
  • Spint – fijne spinnendraadjes; blad benevelen en luchtvochtigheid verhogen.
  • Schildluis – harde schildjes op stengels; met alcohol stippen en aangetaste delen wegknippen.
  • Wolluis – witte pluisjes in bladoksels; met alcohol stippen en plant afspoelen.
  • Rupsen – vraatschade aan blad; handmatig verwijderen en natuurlijke vijanden aantrekken.
  • Slakken – gaten in blad; handmatig verzamelen en barrières van scherp zand of schelpen gebruiken.
  • Anthracnose – ingezonken vlekken; aangetaste delen verwijderen en blad droog houden.
  • Cercospora‑bladvlek – ronde vlekken; aangetast blad verwijderen en luchtcirculatie verbeteren.
  • Papiervlekkenziekte – lichte vlekken op blad; aangetaste bladeren verwijderen en plant luchtiger zetten.
  • Wollige bloedluis – witte pluisjes op hout; met alcohol stippen en aangetaste delen verwijderen.
e-mail - contact
Scroll naar boven